BWBR0013636
Geldig vanaf 2002-04-28
Artikel 11
Onderzoekingsregulatief 2002
1. Het bacteriologisch onderzoek door middel van kweken, vindt plaats in alle gevallen waarin:
a. op grond van de voor of na het slachten waargenomen afwijkingen het kiemvrij zijn van het vlees in twijfel moet worden getrokken;
b. het bedoelde onderzoek bij of krachtens een wet is voorgeschreven.
2. Voor het in het eerste lid bedoelde onderzoek wordt de milt gebruikt.
3. Het bacteriologisch onderzoek door middel van kweken dient binnen twee uur na de evisceratie van het slachtdier te worden ingesteld. Kan met het bacteriologisch onderzoek door middel van kweken niet binnen deze tijd worden begonnen, dan mag, in afwijking van het bepaalde in de vorige volzin, het onderzoeksmateriaal tot de eerstvolgende werkdag onder verantwoordelijkheid van de keuringsdierenarts worden bewaard bij een temperatuur van maximaal +4°C en minimaal 0°C, alvorens met het bacteriologisch onderzoek door middel van kweken wordt begonnen.
4. Het bacteriologisch onderzoek door middel van kweken geschiedt in daartoe door de veterinair hoofdinspecteur van de Keuringsdienst van Waren aan te wijzen laboratoria. De veterinair hoofdinspecteur van de Keuringsdienst van Waren kan voorschriften geven waaraan deze laboratoria dienen te voldoen.
5. Bij de monstername en het overbrengen van het in het tweede lid en in artikel 30, eerste lid, onder b, genoemde onderzoekmateriaal naar het desbetreffende laboratorium moet verontreiniging of bezoedeling worden voorkomen. Indien verzending noodzakelijk is, moet de milt, en eventuele andere organen of delen in gekoelde toestand afzonderlijk vloeistofdicht worden verpakt. De aldus verkregen pakjes worden onder koeling bij een temperatuur van maximaal +4°C en minimaal 0°C verzonden.
6. In het laboratorium wordt uit het dikste deel van de milt, nadat het oppervlak zwart is geschroeid, ca. 50 mg roodgekleurde miltpulpa verzameld en overgebracht in een hoog gevulde trypton-soja-bouillon-buis (10 ml in een buis met een diameter van 17-18 mm) overeenkomstig bijlage II. Uit dezelfde plaats wordt wederom een circa 50 mg miltpulpa verzameld en overgebracht op een trypton-soja-runderbloedagarplaat - met een diameter van 9 à 10 cm en een hoeveelheid voedingsbodem van ca. 11 à 12 ml - en zeer dun gelijkmatig over het tweederde deel van het oppervlak uitgestreken.
7. De geënte voedingsbodems worden gedurende ten minste 36 uur bebroed bij een temperatuur van 37°C ± 1°C. Na bebroeding volgt een macroscopisch en microscopisch onderzoek naar een eventuele groei van bacteriën en in relatie hiermede een differentiatie van de betrokken bacteriën zomede een kwantitatief onderzoek van de trypton-sojarunderbloedagarplaat.
8. De veterinair hoofdinspecteur van de Keuringsdienst van Waren geeft voorschriften volgens welke differentiatie reacties dienen plaats te vinden.
9. De voor het bacteriologisch onderzoek door middel van kweken gebruikte milt dient gedurende de gehele duur van het bacteriologisch onderzoek door middel van kweken en vervolgens nog 24 uur bij een temperatuur van maximaal +4°C en minimaal 0°C bewaard te blijven.
a. op grond van de voor of na het slachten waargenomen afwijkingen het kiemvrij zijn van het vlees in twijfel moet worden getrokken;
b. het bedoelde onderzoek bij of krachtens een wet is voorgeschreven.
2. Voor het in het eerste lid bedoelde onderzoek wordt de milt gebruikt.
3. Het bacteriologisch onderzoek door middel van kweken dient binnen twee uur na de evisceratie van het slachtdier te worden ingesteld. Kan met het bacteriologisch onderzoek door middel van kweken niet binnen deze tijd worden begonnen, dan mag, in afwijking van het bepaalde in de vorige volzin, het onderzoeksmateriaal tot de eerstvolgende werkdag onder verantwoordelijkheid van de keuringsdierenarts worden bewaard bij een temperatuur van maximaal +4°C en minimaal 0°C, alvorens met het bacteriologisch onderzoek door middel van kweken wordt begonnen.
4. Het bacteriologisch onderzoek door middel van kweken geschiedt in daartoe door de veterinair hoofdinspecteur van de Keuringsdienst van Waren aan te wijzen laboratoria. De veterinair hoofdinspecteur van de Keuringsdienst van Waren kan voorschriften geven waaraan deze laboratoria dienen te voldoen.
5. Bij de monstername en het overbrengen van het in het tweede lid en in artikel 30, eerste lid, onder b, genoemde onderzoekmateriaal naar het desbetreffende laboratorium moet verontreiniging of bezoedeling worden voorkomen. Indien verzending noodzakelijk is, moet de milt, en eventuele andere organen of delen in gekoelde toestand afzonderlijk vloeistofdicht worden verpakt. De aldus verkregen pakjes worden onder koeling bij een temperatuur van maximaal +4°C en minimaal 0°C verzonden.
6. In het laboratorium wordt uit het dikste deel van de milt, nadat het oppervlak zwart is geschroeid, ca. 50 mg roodgekleurde miltpulpa verzameld en overgebracht in een hoog gevulde trypton-soja-bouillon-buis (10 ml in een buis met een diameter van 17-18 mm) overeenkomstig bijlage II. Uit dezelfde plaats wordt wederom een circa 50 mg miltpulpa verzameld en overgebracht op een trypton-soja-runderbloedagarplaat - met een diameter van 9 à 10 cm en een hoeveelheid voedingsbodem van ca. 11 à 12 ml - en zeer dun gelijkmatig over het tweederde deel van het oppervlak uitgestreken.
7. De geënte voedingsbodems worden gedurende ten minste 36 uur bebroed bij een temperatuur van 37°C ± 1°C. Na bebroeding volgt een macroscopisch en microscopisch onderzoek naar een eventuele groei van bacteriën en in relatie hiermede een differentiatie van de betrokken bacteriën zomede een kwantitatief onderzoek van de trypton-sojarunderbloedagarplaat.
8. De veterinair hoofdinspecteur van de Keuringsdienst van Waren geeft voorschriften volgens welke differentiatie reacties dienen plaats te vinden.
9. De voor het bacteriologisch onderzoek door middel van kweken gebruikte milt dient gedurende de gehele duur van het bacteriologisch onderzoek door middel van kweken en vervolgens nog 24 uur bij een temperatuur van maximaal +4°C en minimaal 0°C bewaard te blijven.