BWBR0013488
Geldig vanaf 2002-03-08
Artikel 10
Tijdelijke wet noodcapaciteit drugskoeriers
1. De directeur kan een gedetineerde in afzondering plaatsen:
a. indien dit in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de voorziening, dan wel voor een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming noodzakelijk is;
b. indien dit ter bescherming van de betrokken gedetineerde noodzakelijk is;
c. in geval van ziekmelding of ziekte van de betrokken gedetineerde;
d. indien de gedetineerde hierom verzoekt en de directeur dit verzoek redelijk en uitvoerbaar oordeelt.
2. De afzondering ingevolge het eerste lid, onder a of b, duurt ten hoogste twee weken. De directeur kan deze afzondering telkens voor ten hoogste twee weken verlengen, indien hij tot het oordeel is gekomen dat de noodzaak tot afzondering nog bestaat.
3. De afzondering wordt ten uitvoer gelegd in een afzonderingscel of in een andere verblijfsruimte. Gedurende het verblijf in afzondering neemt de gedetineerde niet deel aan activiteiten, voor zover de directeur niet anders bepaalt en behoudens het dagelijks verblijf in de buitenlucht. De directeur kan het recht van de gedetineerde om te telefoneren met, of het ontvangen van bezoek van persoonlijke relaties slechts beperken of uitsluiten indien het belang van de orde of de veiligheid in de voorziening, dan wel de gedragingen, lichamelijke of gemoedstoestand van de gedetineerde zulks noodzakelijk maken.
4. De directeur draagt zorg dat, ingeval de afzondering langer dan vierentwintig uren duurt en ten uitvoer wordt gelegd in een afzonderingscel, de commissie van toezicht en de aan de voorziening verbonden arts of diens vervanger terstond hiervan in kennis wordt gesteld.
5. De directeur draagt zorg dat in geval van afzondering het nodige contact tussen ambtenaren en medewerkers van de voorziening en de gedetineerde wordt gewaarborgd en naar aard en frequentie op de situatie van de gedetineerde wordt afgestemd.
a. indien dit in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de voorziening, dan wel voor een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming noodzakelijk is;
b. indien dit ter bescherming van de betrokken gedetineerde noodzakelijk is;
c. in geval van ziekmelding of ziekte van de betrokken gedetineerde;
d. indien de gedetineerde hierom verzoekt en de directeur dit verzoek redelijk en uitvoerbaar oordeelt.
2. De afzondering ingevolge het eerste lid, onder a of b, duurt ten hoogste twee weken. De directeur kan deze afzondering telkens voor ten hoogste twee weken verlengen, indien hij tot het oordeel is gekomen dat de noodzaak tot afzondering nog bestaat.
3. De afzondering wordt ten uitvoer gelegd in een afzonderingscel of in een andere verblijfsruimte. Gedurende het verblijf in afzondering neemt de gedetineerde niet deel aan activiteiten, voor zover de directeur niet anders bepaalt en behoudens het dagelijks verblijf in de buitenlucht. De directeur kan het recht van de gedetineerde om te telefoneren met, of het ontvangen van bezoek van persoonlijke relaties slechts beperken of uitsluiten indien het belang van de orde of de veiligheid in de voorziening, dan wel de gedragingen, lichamelijke of gemoedstoestand van de gedetineerde zulks noodzakelijk maken.
4. De directeur draagt zorg dat, ingeval de afzondering langer dan vierentwintig uren duurt en ten uitvoer wordt gelegd in een afzonderingscel, de commissie van toezicht en de aan de voorziening verbonden arts of diens vervanger terstond hiervan in kennis wordt gesteld.
5. De directeur draagt zorg dat in geval van afzondering het nodige contact tussen ambtenaren en medewerkers van de voorziening en de gedetineerde wordt gewaarborgd en naar aard en frequentie op de situatie van de gedetineerde wordt afgestemd.