BWBR0013409
Geldig vanaf 2010-05-17
Artikel 64
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002
1. Er is een commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
2. De commissie van toezicht is belast met:
a. het toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering van hetgeen bij of krachtens deze wet en de Wet veiligheidsonderzoeken is gesteld;
b. het gevraagd en ongevraagd inlichten en adviseren van Onze betrokken Ministers aangaande de door de commissie geconstateerde bevindingen. Desgewenst kan de commissie onze betrokken Ministers vragen deze inlichtingen en adviezen ter kennis van een of beide kamers der Staten-Generaal te brengen, waarbij de werkwijze zoals beschreven in artikel 79 van overeenkomstige toepassing is;
c. het adviseren van Onze betrokken Ministers terzake van het onderzoeken en beoordelen van klachten;
d. het ongevraagd adviseren van Onze betrokken Ministers terzake van de uitvoering van artikel 34;
e. het toezicht op de toepassing van de bevoegdheid van artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap door Onze Minister van Veiligheid en Justitie, waarbij in het bijzonder aandacht wordt geschonken aan de doelmatigheid en proportionaliteit van de toepassing van deze bevoegdheid.
2. De commissie van toezicht is belast met:
a. het toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering van hetgeen bij of krachtens deze wet en de Wet veiligheidsonderzoeken is gesteld;
b. het gevraagd en ongevraagd inlichten en adviseren van Onze betrokken Ministers aangaande de door de commissie geconstateerde bevindingen. Desgewenst kan de commissie onze betrokken Ministers vragen deze inlichtingen en adviezen ter kennis van een of beide kamers der Staten-Generaal te brengen, waarbij de werkwijze zoals beschreven in artikel 79 van overeenkomstige toepassing is;
c. het adviseren van Onze betrokken Ministers terzake van het onderzoeken en beoordelen van klachten;
d. het ongevraagd adviseren van Onze betrokken Ministers terzake van de uitvoering van artikel 34;
e. het toezicht op de toepassing van de bevoegdheid van artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap door Onze Minister van Veiligheid en Justitie, waarbij in het bijzonder aandacht wordt geschonken aan de doelmatigheid en proportionaliteit van de toepassing van deze bevoegdheid.