BWBR0013409
Geldig vanaf 2010-05-17
Artikel 13
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002
1. De verwerking van persoonsgegevens door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst kan slechts betrekking hebben op personen:
a. die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat;
b. die toestemming hebben verleend voor een veiligheidsonderzoek;
c. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van het onderzoek betreffende andere landen;
d. over wie door een andere inlichtingen- of veiligheidsdienst gegevens zijn ingewonnen;
e. wier gegevens noodzakelijk zijn ter ondersteuning van een goede taakuitvoering door de dienst;
f. die werkzaam zijn of zijn geweest voor een dienst;
g. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van het opstellen van de dreigings- en risicoanalyses, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel e.
2. De verwerking van persoonsgegevens door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst kan slechts betrekking hebben op personen:
a. die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor de veiligheid of de paraatheid van de krijgsmacht;
b. die toestemming hebben verleend voor een veiligheidsonderzoek;
c. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van het onderzoek betreffende andere landen;
d. over wie door een andere inlichtingen- of veiligheidsdienst gegevens zijn ingewonnen;
e. wier gegevens noodzakelijk zijn ter ondersteuning van een goede taakuitvoering door de dienst;
f. die werkzaam zijn of zijn geweest voor een dienst;
g. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van een onderzoek als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, sub 2°;
h. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van het opstellen van de dreigingsanalyses, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel f;
i. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van het opstellen van een analyse door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, in opdracht van onze minister van Defensie, van potentiële dreigingen tegen een bij de krijgsmacht werkzaam persoon of een bij de krijgsmacht in gebruik zijnd object, welke niet ingevolge de artikelen 4, derde lid, onderdeel b, en 42, eerste lid, onderdeel c, onderscheidenlijk artikel 16 van de Politiewet 2012 is aangewezen.
3. De verwerking van persoonsgegevens wegens iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, gezondheid en seksuele leven vindt niet plaats.
4. De verwerking van persoonsgegevens die betrekking hebben op de in het derde lid bedoelde kenmerken vindt slechts plaats in aanvulling op de verwerking van andere gegevens en slechts voor zover dat voor het doel van de gegevensverwerking onvermijdelijk is.
a. die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat;
b. die toestemming hebben verleend voor een veiligheidsonderzoek;
c. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van het onderzoek betreffende andere landen;
d. over wie door een andere inlichtingen- of veiligheidsdienst gegevens zijn ingewonnen;
e. wier gegevens noodzakelijk zijn ter ondersteuning van een goede taakuitvoering door de dienst;
f. die werkzaam zijn of zijn geweest voor een dienst;
g. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van het opstellen van de dreigings- en risicoanalyses, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel e.
2. De verwerking van persoonsgegevens door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst kan slechts betrekking hebben op personen:
a. die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor de veiligheid of de paraatheid van de krijgsmacht;
b. die toestemming hebben verleend voor een veiligheidsonderzoek;
c. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van het onderzoek betreffende andere landen;
d. over wie door een andere inlichtingen- of veiligheidsdienst gegevens zijn ingewonnen;
e. wier gegevens noodzakelijk zijn ter ondersteuning van een goede taakuitvoering door de dienst;
f. die werkzaam zijn of zijn geweest voor een dienst;
g. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van een onderzoek als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, sub 2°;
h. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van het opstellen van de dreigingsanalyses, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel f;
i. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van het opstellen van een analyse door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, in opdracht van onze minister van Defensie, van potentiële dreigingen tegen een bij de krijgsmacht werkzaam persoon of een bij de krijgsmacht in gebruik zijnd object, welke niet ingevolge de artikelen 4, derde lid, onderdeel b, en 42, eerste lid, onderdeel c, onderscheidenlijk artikel 16 van de Politiewet 2012 is aangewezen.
3. De verwerking van persoonsgegevens wegens iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, gezondheid en seksuele leven vindt niet plaats.
4. De verwerking van persoonsgegevens die betrekking hebben op de in het derde lid bedoelde kenmerken vindt slechts plaats in aanvulling op de verwerking van andere gegevens en slechts voor zover dat voor het doel van de gegevensverwerking onvermijdelijk is.