BWBR0013409
Geldig vanaf 2010-05-17
Artikel 23
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002
1. De diensten zijn bevoegd tot het openen van brieven en andere geadresseerde zendingen, zonder goedvinden van de afzender of de geadresseerde, indien de rechtbank Den Haag daartoe, op verzoek van het hoofd van de dienst, een last heeft afgegeven.
2. Voor de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, is geen toestemming vereist als bedoeld in artikel 19.
3. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, door het hoofd van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst ten aanzien van brieven en andere geadresseerde zendingen, waarvan het adres van de afzender of de geadresseerde niet overeenstemt met een adres van een plaats in gebruik van het Ministerie van Defensie, wordt gedaan in overeenstemming met het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
4. Het verzoek om een last, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de persoon of instelling, van wie dan wel waarvan brieven of andere geadresseerde zendingen aan deze gericht dan wel van deze afkomstig, dienen te worden geopend;
b. de reden waarom de brieven of andere geadresseerde zendingen dienen te worden geopend.
5. Een last wordt slechts afgegeven, indien dat noodzakelijk is voor een goede uitoefening van de aan de dienst opgedragen taak.
6. Een last, bedoeld in het eerste lid, wordt afgegeven:
a. per brief of andere geadresseerde zending, indien deze reeds in het bezit van de dienst is;
b. voor een daarbij te bepalen periode van ten hoogste drie maanden, indien het betreft het openen van brieven of andere geadresseerde zendingen die aan een in de last vermelde instelling van post dan wel vervoer zijn of worden toevertrouwd.
7. De instelling van post dan wel vervoer, bedoeld in het zesde lid, onder b, is gehouden de brieven en andere geadresseerde zendingen, waarop de last betrekking heeft, tegen ontvangstbewijs uit te leveren aan een door het hoofd van de dienst daartoe aangewezen ambtenaar van de dienst.
8. De ambtenaar is gehouden zich jegens de instelling van post dan wel vervoer te legitimeren aan de hand van een door het hoofd van de dienst verstrekt legitimatiebewijs.
9. De diensten dragen zorg dat een door een instelling van post of vervoer uitgeleverde brief of andere geadresseerde zending na onderzoek daarvan, onverwijld aan de desbetreffende instelling ter verzending terug wordt gegeven.
2. Voor de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, is geen toestemming vereist als bedoeld in artikel 19.
3. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, door het hoofd van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst ten aanzien van brieven en andere geadresseerde zendingen, waarvan het adres van de afzender of de geadresseerde niet overeenstemt met een adres van een plaats in gebruik van het Ministerie van Defensie, wordt gedaan in overeenstemming met het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
4. Het verzoek om een last, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de persoon of instelling, van wie dan wel waarvan brieven of andere geadresseerde zendingen aan deze gericht dan wel van deze afkomstig, dienen te worden geopend;
b. de reden waarom de brieven of andere geadresseerde zendingen dienen te worden geopend.
5. Een last wordt slechts afgegeven, indien dat noodzakelijk is voor een goede uitoefening van de aan de dienst opgedragen taak.
6. Een last, bedoeld in het eerste lid, wordt afgegeven:
a. per brief of andere geadresseerde zending, indien deze reeds in het bezit van de dienst is;
b. voor een daarbij te bepalen periode van ten hoogste drie maanden, indien het betreft het openen van brieven of andere geadresseerde zendingen die aan een in de last vermelde instelling van post dan wel vervoer zijn of worden toevertrouwd.
7. De instelling van post dan wel vervoer, bedoeld in het zesde lid, onder b, is gehouden de brieven en andere geadresseerde zendingen, waarop de last betrekking heeft, tegen ontvangstbewijs uit te leveren aan een door het hoofd van de dienst daartoe aangewezen ambtenaar van de dienst.
8. De ambtenaar is gehouden zich jegens de instelling van post dan wel vervoer te legitimeren aan de hand van een door het hoofd van de dienst verstrekt legitimatiebewijs.
9. De diensten dragen zorg dat een door een instelling van post of vervoer uitgeleverde brief of andere geadresseerde zending na onderzoek daarvan, onverwijld aan de desbetreffende instelling ter verzending terug wordt gegeven.