BWBR0013312
Geldig vanaf 01-07-2002
Artikel 7
Regeling elektronisch-geldinstellingen
1. De elektronisch-geldinstelling belegt een bedrag ten minste gelijk aan haar totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden, uitsluitend in de volgende activa:
a) kasmiddelen en gelijkwaardige posten;
b) voldoende liquide activa bestaande uit vorderingen op of gegarandeerd door: 1° centrale overheden in Zone A-landen;
2° centrale banken in Zone A-landen;
3° de Europese Gemeenschappen;
4° de binnenlandse regionale en lokale overheden;
5° de regionale of lokale overheden van andere EU-landen, indien: - de toezichthouder van het EU-land waar de regionale of lokale overheid deel van uitmaakt, in het kader van het solvabiliteitstoezicht op kredietinstellingen, voor de desbetreffende vorderingen een 0%-weging hanteert; en
- de Bank aan de elektronisch-geldinstelling toestemming heeft verleend om de belegging te behandelen als een toegestane belegging in het kader van dit artikel;
- de toezichthouder van het EU-land waar de regionale of lokale overheid deel van uitmaakt, in het kader van het solvabiliteitstoezicht op kredietinstellingen, voor de desbetreffende vorderingen een 0%-weging hanteert; en
- de Bank aan de elektronisch-geldinstelling toestemming heeft verleend om de belegging te behandelen als een toegestane belegging in het kader van dit artikel;
1° centrale overheden in Zone A-landen;
2° centrale banken in Zone A-landen;
3° de Europese Gemeenschappen;
4° de binnenlandse regionale en lokale overheden;
5° de regionale of lokale overheden van andere EU-landen, indien: - de toezichthouder van het EU-land waar de regionale of lokale overheid deel van uitmaakt, in het kader van het solvabiliteitstoezicht op kredietinstellingen, voor de desbetreffende vorderingen een 0%-weging hanteert; en
- de Bank aan de elektronisch-geldinstelling toestemming heeft verleend om de belegging te behandelen als een toegestane belegging in het kader van dit artikel;
- de toezichthouder van het EU-land waar de regionale of lokale overheid deel van uitmaakt, in het kader van het solvabiliteitstoezicht op kredietinstellingen, voor de desbetreffende vorderingen een 0%-weging hanteert; en
- de Bank aan de elektronisch-geldinstelling toestemming heeft verleend om de belegging te behandelen als een toegestane belegging in het kader van dit artikel;
c) onmiddellijk opvraagbare deposito's bij kredietinstellingen in G10- of EU-landen;
d) gekwalificeerde en voldoende liquide schuldinstrumenten, die: - niet zijn uitgegeven door een onderneming, instelling of persoon met zeggenschap over de uitgever van het elektronisch geld of die in de geconsolideerde jaarrekening van deze ondernemingen moeten worden opgenomen;
- niet vallen onder de onder a of b genoemde activa;
- niet kunnen worden aangemerkt als belegging in achtergesteld schuldpapier of schuldpapier dat tot het toetsingsvermogen van kredietinstellingen behoort; en
- kunnen worden aangemerkt als voldoende liquide als bepaald in artikel 11.
- niet zijn uitgegeven door een onderneming, instelling of persoon met zeggenschap over de uitgever van het elektronisch geld of die in de geconsolideerde jaarrekening van deze ondernemingen moeten worden opgenomen;
- niet vallen onder de onder a of b genoemde activa;
- niet kunnen worden aangemerkt als belegging in achtergesteld schuldpapier of schuldpapier dat tot het toetsingsvermogen van kredietinstellingen behoort; en
- kunnen worden aangemerkt als voldoende liquide als bepaald in artikel 11.
2. De activa worden gewaardeerd tegen de kostprijs of de marktwaarde, waarbij het laagste bedrag in aanmerking wordt genomen.
3. De Bank kan de elektronisch-geldinstelling ontheffing verlenen van het in het eerste lid bepaalde. Een zodanige ontheffing wordt slechts verleend indien de totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden, niet meer volledig worden gedekt door de waarde van de in het eerste lid bedoelde activa. De ontheffing kan bepalen dat, gedurende een beperkte periode, de elektronisch-geldinstelling ook in andere dan de in het eerste lid bedoelde activa kan beleggen tot maximaal de laagste van de volgende twee bedragen: 5% van de totale financiële verplichtingen die met het uitstaand elektronisch geld verband houden of 5% van het totale eigen vermogen van de elektronisch-geldinstelling.
a) kasmiddelen en gelijkwaardige posten;
b) voldoende liquide activa bestaande uit vorderingen op of gegarandeerd door: 1° centrale overheden in Zone A-landen;
2° centrale banken in Zone A-landen;
3° de Europese Gemeenschappen;
4° de binnenlandse regionale en lokale overheden;
5° de regionale of lokale overheden van andere EU-landen, indien: - de toezichthouder van het EU-land waar de regionale of lokale overheid deel van uitmaakt, in het kader van het solvabiliteitstoezicht op kredietinstellingen, voor de desbetreffende vorderingen een 0%-weging hanteert; en
- de Bank aan de elektronisch-geldinstelling toestemming heeft verleend om de belegging te behandelen als een toegestane belegging in het kader van dit artikel;
- de toezichthouder van het EU-land waar de regionale of lokale overheid deel van uitmaakt, in het kader van het solvabiliteitstoezicht op kredietinstellingen, voor de desbetreffende vorderingen een 0%-weging hanteert; en
- de Bank aan de elektronisch-geldinstelling toestemming heeft verleend om de belegging te behandelen als een toegestane belegging in het kader van dit artikel;
1° centrale overheden in Zone A-landen;
2° centrale banken in Zone A-landen;
3° de Europese Gemeenschappen;
4° de binnenlandse regionale en lokale overheden;
5° de regionale of lokale overheden van andere EU-landen, indien: - de toezichthouder van het EU-land waar de regionale of lokale overheid deel van uitmaakt, in het kader van het solvabiliteitstoezicht op kredietinstellingen, voor de desbetreffende vorderingen een 0%-weging hanteert; en
- de Bank aan de elektronisch-geldinstelling toestemming heeft verleend om de belegging te behandelen als een toegestane belegging in het kader van dit artikel;
- de toezichthouder van het EU-land waar de regionale of lokale overheid deel van uitmaakt, in het kader van het solvabiliteitstoezicht op kredietinstellingen, voor de desbetreffende vorderingen een 0%-weging hanteert; en
- de Bank aan de elektronisch-geldinstelling toestemming heeft verleend om de belegging te behandelen als een toegestane belegging in het kader van dit artikel;
c) onmiddellijk opvraagbare deposito's bij kredietinstellingen in G10- of EU-landen;
d) gekwalificeerde en voldoende liquide schuldinstrumenten, die: - niet zijn uitgegeven door een onderneming, instelling of persoon met zeggenschap over de uitgever van het elektronisch geld of die in de geconsolideerde jaarrekening van deze ondernemingen moeten worden opgenomen;
- niet vallen onder de onder a of b genoemde activa;
- niet kunnen worden aangemerkt als belegging in achtergesteld schuldpapier of schuldpapier dat tot het toetsingsvermogen van kredietinstellingen behoort; en
- kunnen worden aangemerkt als voldoende liquide als bepaald in artikel 11.
- niet zijn uitgegeven door een onderneming, instelling of persoon met zeggenschap over de uitgever van het elektronisch geld of die in de geconsolideerde jaarrekening van deze ondernemingen moeten worden opgenomen;
- niet vallen onder de onder a of b genoemde activa;
- niet kunnen worden aangemerkt als belegging in achtergesteld schuldpapier of schuldpapier dat tot het toetsingsvermogen van kredietinstellingen behoort; en
- kunnen worden aangemerkt als voldoende liquide als bepaald in artikel 11.
2. De activa worden gewaardeerd tegen de kostprijs of de marktwaarde, waarbij het laagste bedrag in aanmerking wordt genomen.
3. De Bank kan de elektronisch-geldinstelling ontheffing verlenen van het in het eerste lid bepaalde. Een zodanige ontheffing wordt slechts verleend indien de totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden, niet meer volledig worden gedekt door de waarde van de in het eerste lid bedoelde activa. De ontheffing kan bepalen dat, gedurende een beperkte periode, de elektronisch-geldinstelling ook in andere dan de in het eerste lid bedoelde activa kan beleggen tot maximaal de laagste van de volgende twee bedragen: 5% van de totale financiële verplichtingen die met het uitstaand elektronisch geld verband houden of 5% van het totale eigen vermogen van de elektronisch-geldinstelling.
- Citeren als
- Art. 7
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0013312
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl