BWBR0013312
Geldig vanaf 01-07-2002
Artikel 4
Regeling elektronisch-geldinstellingen
1. De omvang van het doorlopend door de elektronisch-geldinstelling aan te houden eigen vermogen wordt bepaald door het toetsingsvermogen. Het toetsingsvermogen bestaat uit het bij de elektronisch-geldinstelling aanwezige tier 1 en tier 2 vermogen als bedoeld in de artikelen 5 en 6.
2. Het in aanmerking te nemen tier 2 vermogen dient kleiner of gelijk te zijn aan het aanwezige tier 1 vermogen.
3. Voor de bepaling van de omvang van de elementen van het toetsingsvermogen wordt uitgegaan van de geconsolideerde bedrijfseconomische balans, opgesteld conform het jaarrekeningrecht voor banken als bedoeld in artikel 415 Boek 2 BW, in aanmerking genomen het in artikel 7, tweede lid, van de regeling bepaalde. De aanbevelingen van de Bank betreffende de jaarrekening van banken als bedoeld in artikel 415 Boek 2 BW (Handboek Wtk 5001) zijn, voor zover in deze regeling niet anders is bepaald, van overeenkomstige toepassing.
2. Het in aanmerking te nemen tier 2 vermogen dient kleiner of gelijk te zijn aan het aanwezige tier 1 vermogen.
3. Voor de bepaling van de omvang van de elementen van het toetsingsvermogen wordt uitgegaan van de geconsolideerde bedrijfseconomische balans, opgesteld conform het jaarrekeningrecht voor banken als bedoeld in artikel 415 Boek 2 BW, in aanmerking genomen het in artikel 7, tweede lid, van de regeling bepaalde. De aanbevelingen van de Bank betreffende de jaarrekening van banken als bedoeld in artikel 415 Boek 2 BW (Handboek Wtk 5001) zijn, voor zover in deze regeling niet anders is bepaald, van overeenkomstige toepassing.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0013312
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl