BWBR0013304
Geldig vanaf 2001-12-30
Artikel 9
Subsidieregeling milieugerichte technologie 2002
1. Het Subsidieprogramma Milieu & Technologie 2002 heeft als doel het bevorderen van de ontwikkeling, demonstratie en toepassing van innovatieve milieugerichte technologie.
2. Een project komt voor subsidie in aanmerking indien:
a. het een industrieel haalbaarheidsproject, industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel haalbaarheidsproject, preconcurrentieel ontwikkelingsproject of demonstratieproject betreft, dat zich richt op: 1º. de basismetaalindustrie;
2º. de betonmortel- en betonproductenindustrie;
3º. de chemische industrie;
4º. de grafische industrie en verpakkingsdrukkerijen;
5º. de metalectro-industrie;
6º. de papier- en kartonindustrie;
7º. de textiel- en tapijtindustrie;
8º. de voedings- en genotmiddelenindustrie, of
9º. de rubber- en kunststofverwerkende industrie.
1º. de basismetaalindustrie;
2º. de betonmortel- en betonproductenindustrie;
3º. de chemische industrie;
4º. de grafische industrie en verpakkingsdrukkerijen;
5º. de metalectro-industrie;
6º. de papier- en kartonindustrie;
7º. de textiel- en tapijtindustrie;
8º. de voedings- en genotmiddelenindustrie, of
9º. de rubber- en kunststofverwerkende industrie.
b. het project bijdraagt aan het doelgroepenbeleid Milieu en Industrie van de overheid, zoals omschreven in het Nationaal Milieubeleidsplan 2 (kamerstukken II 1993/94, 23 560, nr. 2) en zich richt op ten minste één van de volgende milieuknelpunten: 1º. emissies naar de lucht;
2º. emissies naar water;
3º. grondstofgebruik;
4º. geluid.
1º. emissies naar de lucht;
2º. emissies naar water;
3º. grondstofgebruik;
4º. geluid.
3. Een project komt voorts voor subsidie in aanmerking indien:
a. het een industrieel haalbaarheidsproject, industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel haalbaarheidsproject of preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft, dat zich richt op innovatieve technologische vernieuwing van productieprocessen, niet zijnde end of pipe technologie, en
b. het project zich richt op het bereiken van aanzienlijke verbeteringen in de milieu-efficiëntie binnen de doelgroep Industrie, zoals omschreven in het Nationaal Milieubeleidsplan 3 (kamerstukken II 97/98, 25 887, nr.1), waarbij het efficiënt gebruik van grondstoffen, energie of water centraal moet staan.
4. Een project komt voorts voor subsidie in aanmerking indien:
a. het een preconcurrentieel haalbaarheidsproject betreft, dat gericht is op het bevorderen van de toepassing van een duurzaam proces of product, dat nieuw is voor Nederland, en
b. het project betrekking heeft op het analyseren en verkennen van marktkansen of marktbelemmeringen op niet-technisch terrein ten behoeve van een succesvolle marktintroductie van het beoogde duurzame proces of product.
5. Een project komt niet voor subsidie in aanmerking indien:
a. het project zich richt op de logistiek, de milieuzorg, de bodembescherming, de bodemsanering, de nulmeting of de kwaliteitszorg;
b. het een industrieel haalbaarheidsproject, industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel haalbaarheidsproject of preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft, waarvan de subsidiabele kosten lager zijn dan € 15.000,-;
c. het een demonstratieproject betreft waarvan de subsidiabele kosten lager zijn dan € 25.000,-.
6. Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening wordt naast de in artikel 2, tweede lid, bedoelde aspecten tevens betrokken:
a. de mate waarin de verschillende onderdelen van de bedrijfskolom bij het project betrokken zijn;
b. de slaagkans van de technologie.
7. In afwijking van artikel 3:
a. kan de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de subsidieaanvrager geldende en controleerbare methodiek;
b. worden, indien het een preconcurrentieel haalbaarheidsproject als bedoeld in het vierde lid betreft, de kosten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, onder 1o en 4o, niet tot de subsidiabele kosten gerekend.
8. In afwijking van artikel 4is het maximale subsidiebedrag voor:
a. een industrieel haalbaarheidsproject: € 35.000,-;
b. een industrieel onderzoeksproject: € 350.000,-;
c. een preconcurrentieel haalbaarheidsproject als bedoeld in het tweede of derde lid: € 35.000,-;
d. een preconcurrentieel ontwikkelingsproject: € 350.000,-;
e. een demonstratieproject: € 250.000,-.
9. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend.
10. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2002 bedraagt € 2.600.000,-.
11. Bij de subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat, wanneer de subsidieaanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrechtde gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, als datum van ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening geldt.
12. Een aanvraag tot subsidieverlening kan worden ingediend door bedrijven, (onderzoek)instellingen, universiteiten en andere organisaties, die niet tot de rijksoverheid behoren.
13. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling moeten worden ingediend bij de Nederlandse Onderneming voor Energie en Milieu B.V., met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend voor 15 oktober 2002.
2. Een project komt voor subsidie in aanmerking indien:
a. het een industrieel haalbaarheidsproject, industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel haalbaarheidsproject, preconcurrentieel ontwikkelingsproject of demonstratieproject betreft, dat zich richt op: 1º. de basismetaalindustrie;
2º. de betonmortel- en betonproductenindustrie;
3º. de chemische industrie;
4º. de grafische industrie en verpakkingsdrukkerijen;
5º. de metalectro-industrie;
6º. de papier- en kartonindustrie;
7º. de textiel- en tapijtindustrie;
8º. de voedings- en genotmiddelenindustrie, of
9º. de rubber- en kunststofverwerkende industrie.
1º. de basismetaalindustrie;
2º. de betonmortel- en betonproductenindustrie;
3º. de chemische industrie;
4º. de grafische industrie en verpakkingsdrukkerijen;
5º. de metalectro-industrie;
6º. de papier- en kartonindustrie;
7º. de textiel- en tapijtindustrie;
8º. de voedings- en genotmiddelenindustrie, of
9º. de rubber- en kunststofverwerkende industrie.
b. het project bijdraagt aan het doelgroepenbeleid Milieu en Industrie van de overheid, zoals omschreven in het Nationaal Milieubeleidsplan 2 (kamerstukken II 1993/94, 23 560, nr. 2) en zich richt op ten minste één van de volgende milieuknelpunten: 1º. emissies naar de lucht;
2º. emissies naar water;
3º. grondstofgebruik;
4º. geluid.
1º. emissies naar de lucht;
2º. emissies naar water;
3º. grondstofgebruik;
4º. geluid.
3. Een project komt voorts voor subsidie in aanmerking indien:
a. het een industrieel haalbaarheidsproject, industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel haalbaarheidsproject of preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft, dat zich richt op innovatieve technologische vernieuwing van productieprocessen, niet zijnde end of pipe technologie, en
b. het project zich richt op het bereiken van aanzienlijke verbeteringen in de milieu-efficiëntie binnen de doelgroep Industrie, zoals omschreven in het Nationaal Milieubeleidsplan 3 (kamerstukken II 97/98, 25 887, nr.1), waarbij het efficiënt gebruik van grondstoffen, energie of water centraal moet staan.
4. Een project komt voorts voor subsidie in aanmerking indien:
a. het een preconcurrentieel haalbaarheidsproject betreft, dat gericht is op het bevorderen van de toepassing van een duurzaam proces of product, dat nieuw is voor Nederland, en
b. het project betrekking heeft op het analyseren en verkennen van marktkansen of marktbelemmeringen op niet-technisch terrein ten behoeve van een succesvolle marktintroductie van het beoogde duurzame proces of product.
5. Een project komt niet voor subsidie in aanmerking indien:
a. het project zich richt op de logistiek, de milieuzorg, de bodembescherming, de bodemsanering, de nulmeting of de kwaliteitszorg;
b. het een industrieel haalbaarheidsproject, industrieel onderzoeksproject, preconcurrentieel haalbaarheidsproject of preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft, waarvan de subsidiabele kosten lager zijn dan € 15.000,-;
c. het een demonstratieproject betreft waarvan de subsidiabele kosten lager zijn dan € 25.000,-.
6. Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening wordt naast de in artikel 2, tweede lid, bedoelde aspecten tevens betrokken:
a. de mate waarin de verschillende onderdelen van de bedrijfskolom bij het project betrokken zijn;
b. de slaagkans van de technologie.
7. In afwijking van artikel 3:
a. kan de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de subsidieaanvrager geldende en controleerbare methodiek;
b. worden, indien het een preconcurrentieel haalbaarheidsproject als bedoeld in het vierde lid betreft, de kosten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, onder 1o en 4o, niet tot de subsidiabele kosten gerekend.
8. In afwijking van artikel 4is het maximale subsidiebedrag voor:
a. een industrieel haalbaarheidsproject: € 35.000,-;
b. een industrieel onderzoeksproject: € 350.000,-;
c. een preconcurrentieel haalbaarheidsproject als bedoeld in het tweede of derde lid: € 35.000,-;
d. een preconcurrentieel ontwikkelingsproject: € 350.000,-;
e. een demonstratieproject: € 250.000,-.
9. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend.
10. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2002 bedraagt € 2.600.000,-.
11. Bij de subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat, wanneer de subsidieaanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrechtde gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, als datum van ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening geldt.
12. Een aanvraag tot subsidieverlening kan worden ingediend door bedrijven, (onderzoek)instellingen, universiteiten en andere organisaties, die niet tot de rijksoverheid behoren.
13. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling moeten worden ingediend bij de Nederlandse Onderneming voor Energie en Milieu B.V., met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend voor 15 oktober 2002.