BWBR0013304
Geldig vanaf 2001-12-30
Artikel 10b
Subsidieregeling milieugerichte technologie 2002
1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
2. Op de in deze paragraaf gehanteerde begrippen bromfietsen, personenauto's, bestelwagens, autobussen, vrachtwagens en speciale voertuigen zijn de desbetreffende begripsomschrijvingen in artikel 1, eerste lid, van het Voertuigreglement van toepassing.
3. Het Subsidieprogramma demonstratieprojecten mobiele bronnen 2002 heeft tot doel het stimuleren van op vermindering van milieubelasting gerichte innovaties aan mobiele bronnen in Nederland en van vervanging van conventionele mobiele bronnen in Nederland door mobiele bronnen die het milieu minder belasten.
4. Een project komt voor subsidie in aanmerking indien het een preconcurrentieel ontwikkelings-, demonstratie-, marktintroductie- of een toepassingsproject betreft, waarbij voor de onderscheiden soorten voertuigen per projectcategorie een minimumaantal voertuigen is betrokken en waarvoor een minimumbedrag aan subsidiabele kosten per project geldt, welke aantallen en bedragen zijn opgenomen in de onderstaande tabel:
[tabel]
5. Een project als bedoeld in het vierde lid, heeft voorts betrekking op:
a. bromfietsen die aangedreven worden door een elektromotor waarvoor de elektrische energie uitsluitend wordt geleverd door een batterij of een brandstofcel;
b. personenauto's die zijn uitgerust met een elektromotor waarvoor de elektrische energie uitsluitend wordt geleverd door een batterij of een brandstofcel;
c. personenauto's die zijn uitgerust met een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij de aandrijving door de elektromotor zodanig is dat de elektrische energie voor een actieradius van ten minste 24 kilometer aaneengesloten stadsverkeer uitsluitend wordt geleverd door een batterij of een brandstofcel;
d. personenauto's die: 1º. zijn uitgerust met een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij het piekvermogen van de voor de aandrijving bestemde elektromotor ten minste 15% van het maximumvermogen van de verbrandingsmotor bedraagt, en
2º. blijkens de vermelding in het kentekenregister behoren tot de energie-efficiëntieklasse A, bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit etikettering energiegebruik personenauto's;
1º. zijn uitgerust met een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij het piekvermogen van de voor de aandrijving bestemde elektromotor ten minste 15% van het maximumvermogen van de verbrandingsmotor bedraagt, en
2º. blijkens de vermelding in het kentekenregister behoren tot de energie-efficiëntieklasse A, bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit etikettering energiegebruik personenauto's;
e. personenauto's die: 1º. door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas te rijden, en
2º. op aardgas rijden en voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B van punt 5.3.1.4 van bijlage I bij richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen (PbEG L 76);
1º. door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas te rijden, en
2º. op aardgas rijden en voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B van punt 5.3.1.4 van bijlage I bij richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen (PbEG L 76);
f. personenauto's die door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op waterstof te rijden;
g. bestelauto's die aangedreven worden door een elektromotor waarvoor de elektrische energie uitsluitend wordt geleverd door een batterij of een brandstofcel;
h. bestelauto's die zijn uitgerust met een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij de aandrijving door de elektromotor zodanig is dat de elektrische energie voor een actieradius van ten minste 24 kilometer aaneengesloten stadsverkeer uitsluitend kan worden geleverd door een batterij of een brandstofcel;
i. bestelauto's die: 1º. zijn uitgerust met een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij het piekvermogen van de voor de aandrijving bestemde elektromotor ten minste 15% van het maximumvermogen van de verbrandingsmotor bedraagt, en
2º. per kilometer ten minste 20% minder CO2 uitstoten dan bestelauto's met een conventionele aandrijving die dezelfde brandstof verbruiken en die onderling een sterke gelijkenis vertonen, waarbij de CO2-emissie wordt vergeleken op basis van de lengte maal de breedte van het voertuig, naar analogie van de methode die wordt gehanteerd bij het vaststellen van het relatieve verbruik van personenauto's als omschreven in het Besluit etikettering energiegebruik personenauto's;
1º. zijn uitgerust met een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij het piekvermogen van de voor de aandrijving bestemde elektromotor ten minste 15% van het maximumvermogen van de verbrandingsmotor bedraagt, en
2º. per kilometer ten minste 20% minder CO2 uitstoten dan bestelauto's met een conventionele aandrijving die dezelfde brandstof verbruiken en die onderling een sterke gelijkenis vertonen, waarbij de CO2-emissie wordt vergeleken op basis van de lengte maal de breedte van het voertuig, naar analogie van de methode die wordt gehanteerd bij het vaststellen van het relatieve verbruik van personenauto's als omschreven in het Besluit etikettering energiegebruik personenauto's;
j. bestelauto's die: 1º. door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas te rijden, en
2º. op aardgas rijden en voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B van punt 5.3.1.4 van bijlage I bij de in onderdeel e genoemde richtlijn;
1º. door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas te rijden, en
2º. op aardgas rijden en voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B van punt 5.3.1.4 van bijlage I bij de in onderdeel e genoemde richtlijn;
k. bestelauto's die door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op waterstof te rijden;
l. stads- en streekbussen, die zijn uitgerust met een elektromotor waarvoor de elektrische energie uitsluitend wordt geleverd door een batterij of een brandstofcel;
m. stads- en streekbussen, die: 1º. zijn uitgerust met een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor waarvan bij een voertuig met een lengte van twaalf meter of minder het vermogen van de verbrandingsmotor niet meer bedraagt dan 100 kW,
2º. zijn uitgerust met een dieselmotor die zodanig is ontworpen en wordt gebruikt dat de emissie vergelijkbaar is met of geringer is dan de emissie van een stads- of streekbus die is uitgerust met een dieselmotor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I bij richtlijn nr. 88/77/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende motoren met elektrische ontsteking (PbEG L 36), en
3º. ten minste tien kilometer lokaal-emissievrij kunnen rijden;
1º. zijn uitgerust met een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor waarvan bij een voertuig met een lengte van twaalf meter of minder het vermogen van de verbrandingsmotor niet meer bedraagt dan 100 kW,
2º. zijn uitgerust met een dieselmotor die zodanig is ontworpen en wordt gebruikt dat de emissie vergelijkbaar is met of geringer is dan de emissie van een stads- of streekbus die is uitgerust met een dieselmotor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I bij richtlijn nr. 88/77/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende motoren met elektrische ontsteking (PbEG L 36), en
3º. ten minste tien kilometer lokaal-emissievrij kunnen rijden;
n. stads- en streekbussen, die: 1º. zijn uitgerust met een dieselmotor, en
2º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, waarvoor de grenswaarden zijn vastgelegd in rij B1 van punt 6.2.1. van bijlage 1 bij de in onderdeel m, onder 2°, genoemde richtlijn;
1º. zijn uitgerust met een dieselmotor, en
2º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, waarvoor de grenswaarden zijn vastgelegd in rij B1 van punt 6.2.1. van bijlage 1 bij de in onderdeel m, onder 2°, genoemde richtlijn;
o. stads- en streekbussen, die: 1º. zijn uitgerust met een verbrandingsmotor, en
2º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, waarvoor de grenswaarden zijn vastgelegd in rij C van punt 6.2.1. van bijlage 1 bij de in onderdeel m, 2°, genoemde richtlijn;
1º. zijn uitgerust met een verbrandingsmotor, en
2º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, waarvoor de grenswaarden zijn vastgelegd in rij C van punt 6.2.1. van bijlage 1 bij de in onderdeel m, 2°, genoemde richtlijn;
p. stads- en streekbussen, die per kilometer ten minste 20% minder CO2 uitstoten dan stads- en streekbussen met een conventionele aandrijving en met een gelijk vervoerspotentieel, uitgedrukt in het aantal te vervoeren passagiers, en die dezelfde brandstof verbruiken, waarbij de vergelijking van de CO2-emissie zonodig geschiedt op basis van een gelijk vervoerspotentieel;
q. vrachtauto's, touringcars en speciale voertuigen, die zijn uitgerust met een elektromotor waarvoor de elektrische energie uitsluitend wordt geleverd door een batterij of een brandstofcel;
r. vrachtauto's, touringcars en speciale voertuigen, die: 1º. zijn uitgerust met een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarvan het vermogen van de verbrandingsmotor niet meer bedraagt dan 100 kW, en
2º. zijn uitgerust met een dieselmotor die zodanig is ontworpen en wordt gebruikt dat de emissie vergelijkbaar is met of geringer is dan de emissie van een stads- of streekbus met een dieselmotor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I bij de in onderdeel m, 2°, genoemde richtlijn;
1º. zijn uitgerust met een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarvan het vermogen van de verbrandingsmotor niet meer bedraagt dan 100 kW, en
2º. zijn uitgerust met een dieselmotor die zodanig is ontworpen en wordt gebruikt dat de emissie vergelijkbaar is met of geringer is dan de emissie van een stads- of streekbus met een dieselmotor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I bij de in onderdeel m, 2°, genoemde richtlijn;
s. vrachtauto's, touringcars en speciale voertuigen, die: 1º. zijn uitgerust met een dieselmotor, en
2º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, waarvoor de grenswaarden zijn vastgelegd in rij B1 van punt 6.2.1. van bijlage 1 bij de in onderdeel m, 2°, genoemde richtlijn;
1º. zijn uitgerust met een dieselmotor, en
2º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, waarvoor de grenswaarden zijn vastgelegd in rij B1 van punt 6.2.1. van bijlage 1 bij de in onderdeel m, 2°, genoemde richtlijn;
t. vrachtauto's, touringcars en speciale voertuigen, die: 1º. zijn uitgerust met een verbrandingsmotor, en
2º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, waarvoor de grenswaarden zijn vastgelegd in rij C van punt 6.2.1. van bijlage 1 bij de in onderdeel m, 2°, genoemde richtlijn;
1º. zijn uitgerust met een verbrandingsmotor, en
2º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, waarvoor de grenswaarden zijn vastgelegd in rij C van punt 6.2.1. van bijlage 1 bij de in onderdeel m, 2°, genoemde richtlijn;
u. vrachtauto's, touringcars en speciale voertuigen, die per kilometer ten minste 20% minder CO2 uitstoten dan vrachtwagens, touringcars en speciale voertuigen met een conventionele aandrijving die ontworpen zijn voor dezelfde toepassing en die dezelfde brandstof verbruiken, waarbij de vergelijking van de CO2-emissie zonodig geschiedt op basis van een gelijk vervoerspotentieel;
v. in afwijking van het vierde lid, onderdeel a, voor zover het een toepassingsproject betreft, ten minste 25 vrachtauto's die: 1º. in gebruik zijn genomen op enig tijdstip, gelegen in het tijdvak vanaf 2 januari 1991 tot en met 31 december 2000, en
2º. zijn uitgerust met een installatie waarmee de uitstoot van deeltjes wordt beperkt tot minder dan 0,02 g/kWh, gemeten volgens de methode die beschreven is in de in onderdeel m, 2°, genoemde richtlijn;
1º. in gebruik zijn genomen op enig tijdstip, gelegen in het tijdvak vanaf 2 januari 1991 tot en met 31 december 2000, en
2º. zijn uitgerust met een installatie waarmee de uitstoot van deeltjes wordt beperkt tot minder dan 0,02 g/kWh, gemeten volgens de methode die beschreven is in de in onderdeel m, 2°, genoemde richtlijn;
w. bijzondere voertuigen die zijn uitgerust met een elektromotor waarvoor de elektrische energie uitsluitend wordt geleverd door een batterij of een brandstofcel;
x. bijzondere voertuigen die zijn uitgerust met een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij de aandrijving door de elektromotor zodanig is dat de elektrische energie voor een actieradius van ten minste zestien kilometer aaneengesloten stadsverkeer uitsluitend wordt geleverd door een batterij of een brandstofcel;
y. bijzondere voertuigen die: 1º. door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas of lpg te rijden, of
2º. op aardgas of lpg rijden en voldoen aan eisen die vergelijkbaar zijn met de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B van punt 5.3.1.4 van bijlage I bij de in onderdeel e genoemde richtlijn;
1º. door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas of lpg te rijden, of
2º. op aardgas of lpg rijden en voldoen aan eisen die vergelijkbaar zijn met de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B van punt 5.3.1.4 van bijlage I bij de in onderdeel e genoemde richtlijn;
z. vaartuigen die zijn uitgerust met een of meer dieselmotoren met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW, die bestemd zijn voor de voortstuwing van het vaartuig en die zijn uitgerust met een systeem ter beperking van de uitstoot van stikstofoxiden, waardoor het gehalte stikstofoxiden in de uitlaatgassen, gecorrigeerd voor het zuurstofgehalte, onder praktijkomstandigheden met ten minste 75% wordt verminderd in vergelijking met eenzelfde motor zonder dat systeem onder dezelfde omstandigheden;
aa. vaartuigen die zijn uitgerust met een of meer dieselmotoren met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW die bestemd zijn voor de voortstuwing van het vaartuig en die zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat zij 20% minder CO2 uitstoten dan vergelijkbare vaartuigen onder dezelfde omstandigheden die op traditionele wijze zijn ontworpen en gebouwd;
ab. vaartuigen die zijn uitgerust met een of meer aardgasmotoren die bestemd zijn voor de voortstuwing van het vaartuig, met een gezamenlijk asvermogen van 100 kW tot 3000 kW, of
ac. vaartuigen die zijn uitgerust met een of meer dieselelektrische aandrijvingen met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW die bestemd zijn voor de voortstuwing van het vaartuig.
6. Een wijziging van de richtlijn, genoemd in het vijfde lid, onderdeel e, onder 2°, gaat voor de toepassing van dat onderdeel en onderdeel j, onder 2°, gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering behoort te zijn gegeven.
7. Een wijziging van de richtlijn, genoemd in het vijfde lid, onderdeel m, onder 2°, gaat voor de toepassing van dat onderdeel en de onderdelen n, o, r, s, t en v, allen onder 2°, gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering behoort te zijn gegeven.
8. Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening worden naast de in artikel 2, tweede lid, bedoelde aspecten betrokken:
a. de kosteneffectiviteit op lange termijn van de technische vernieuwing;
b. de mate waarin het project het gebruik van innovatieve technieken in mobiele bronnen onder marktconforme omstandigheden bevordert, en
c. de mate waarin het project vervanging van conventionele mobiele bronnen door mobiele bronnen die het milieu minder belasten, bevordert.
9. In afwijking van artikel 3 kan de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de subsidieaanvrager geldende en controleerbare methodiek.
10. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze paragraaf worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend.
11. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2002 bedraagt € 4.000.000,-.
12. Bij de subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat, wanneer de subsidieaanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.
13. Indien het een project betreft dat betrekking heeft op voertuigen, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat de voertuigen uiterlijk zestien maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, in gebruik worden genomen of, ingeval het project de vervanging van meer dan de helft van een wagenpark of meer dan 25 voertuigen betreft, dat de helft van de betrokken voertuigen uiterlijk zestien maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, in gebruik wordt genomen en de overige betrokken voertuigen uiterlijk binnen 24 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, in gebruik worden genomen.
14. Een aanvraag tot subsidieverlening kan worden ingediend door aanbieders of gebruikers van mobiele bronnen of technieken die bestemd zijn voor de toepassing op mobiele bronnen.
15. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling worden ingediend bij de Nederlandse Onderneming voor Energie en Milieu B.V., met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend voor 1 juli 2002.
2. Op de in deze paragraaf gehanteerde begrippen bromfietsen, personenauto's, bestelwagens, autobussen, vrachtwagens en speciale voertuigen zijn de desbetreffende begripsomschrijvingen in artikel 1, eerste lid, van het Voertuigreglement van toepassing.
3. Het Subsidieprogramma demonstratieprojecten mobiele bronnen 2002 heeft tot doel het stimuleren van op vermindering van milieubelasting gerichte innovaties aan mobiele bronnen in Nederland en van vervanging van conventionele mobiele bronnen in Nederland door mobiele bronnen die het milieu minder belasten.
4. Een project komt voor subsidie in aanmerking indien het een preconcurrentieel ontwikkelings-, demonstratie-, marktintroductie- of een toepassingsproject betreft, waarbij voor de onderscheiden soorten voertuigen per projectcategorie een minimumaantal voertuigen is betrokken en waarvoor een minimumbedrag aan subsidiabele kosten per project geldt, welke aantallen en bedragen zijn opgenomen in de onderstaande tabel:
[tabel]
5. Een project als bedoeld in het vierde lid, heeft voorts betrekking op:
a. bromfietsen die aangedreven worden door een elektromotor waarvoor de elektrische energie uitsluitend wordt geleverd door een batterij of een brandstofcel;
b. personenauto's die zijn uitgerust met een elektromotor waarvoor de elektrische energie uitsluitend wordt geleverd door een batterij of een brandstofcel;
c. personenauto's die zijn uitgerust met een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij de aandrijving door de elektromotor zodanig is dat de elektrische energie voor een actieradius van ten minste 24 kilometer aaneengesloten stadsverkeer uitsluitend wordt geleverd door een batterij of een brandstofcel;
d. personenauto's die: 1º. zijn uitgerust met een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij het piekvermogen van de voor de aandrijving bestemde elektromotor ten minste 15% van het maximumvermogen van de verbrandingsmotor bedraagt, en
2º. blijkens de vermelding in het kentekenregister behoren tot de energie-efficiëntieklasse A, bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit etikettering energiegebruik personenauto's;
1º. zijn uitgerust met een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij het piekvermogen van de voor de aandrijving bestemde elektromotor ten minste 15% van het maximumvermogen van de verbrandingsmotor bedraagt, en
2º. blijkens de vermelding in het kentekenregister behoren tot de energie-efficiëntieklasse A, bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit etikettering energiegebruik personenauto's;
e. personenauto's die: 1º. door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas te rijden, en
2º. op aardgas rijden en voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B van punt 5.3.1.4 van bijlage I bij richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen (PbEG L 76);
1º. door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas te rijden, en
2º. op aardgas rijden en voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B van punt 5.3.1.4 van bijlage I bij richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen (PbEG L 76);
f. personenauto's die door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op waterstof te rijden;
g. bestelauto's die aangedreven worden door een elektromotor waarvoor de elektrische energie uitsluitend wordt geleverd door een batterij of een brandstofcel;
h. bestelauto's die zijn uitgerust met een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij de aandrijving door de elektromotor zodanig is dat de elektrische energie voor een actieradius van ten minste 24 kilometer aaneengesloten stadsverkeer uitsluitend kan worden geleverd door een batterij of een brandstofcel;
i. bestelauto's die: 1º. zijn uitgerust met een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij het piekvermogen van de voor de aandrijving bestemde elektromotor ten minste 15% van het maximumvermogen van de verbrandingsmotor bedraagt, en
2º. per kilometer ten minste 20% minder CO2 uitstoten dan bestelauto's met een conventionele aandrijving die dezelfde brandstof verbruiken en die onderling een sterke gelijkenis vertonen, waarbij de CO2-emissie wordt vergeleken op basis van de lengte maal de breedte van het voertuig, naar analogie van de methode die wordt gehanteerd bij het vaststellen van het relatieve verbruik van personenauto's als omschreven in het Besluit etikettering energiegebruik personenauto's;
1º. zijn uitgerust met een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij het piekvermogen van de voor de aandrijving bestemde elektromotor ten minste 15% van het maximumvermogen van de verbrandingsmotor bedraagt, en
2º. per kilometer ten minste 20% minder CO2 uitstoten dan bestelauto's met een conventionele aandrijving die dezelfde brandstof verbruiken en die onderling een sterke gelijkenis vertonen, waarbij de CO2-emissie wordt vergeleken op basis van de lengte maal de breedte van het voertuig, naar analogie van de methode die wordt gehanteerd bij het vaststellen van het relatieve verbruik van personenauto's als omschreven in het Besluit etikettering energiegebruik personenauto's;
j. bestelauto's die: 1º. door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas te rijden, en
2º. op aardgas rijden en voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B van punt 5.3.1.4 van bijlage I bij de in onderdeel e genoemde richtlijn;
1º. door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas te rijden, en
2º. op aardgas rijden en voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B van punt 5.3.1.4 van bijlage I bij de in onderdeel e genoemde richtlijn;
k. bestelauto's die door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op waterstof te rijden;
l. stads- en streekbussen, die zijn uitgerust met een elektromotor waarvoor de elektrische energie uitsluitend wordt geleverd door een batterij of een brandstofcel;
m. stads- en streekbussen, die: 1º. zijn uitgerust met een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor waarvan bij een voertuig met een lengte van twaalf meter of minder het vermogen van de verbrandingsmotor niet meer bedraagt dan 100 kW,
2º. zijn uitgerust met een dieselmotor die zodanig is ontworpen en wordt gebruikt dat de emissie vergelijkbaar is met of geringer is dan de emissie van een stads- of streekbus die is uitgerust met een dieselmotor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I bij richtlijn nr. 88/77/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende motoren met elektrische ontsteking (PbEG L 36), en
3º. ten minste tien kilometer lokaal-emissievrij kunnen rijden;
1º. zijn uitgerust met een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor waarvan bij een voertuig met een lengte van twaalf meter of minder het vermogen van de verbrandingsmotor niet meer bedraagt dan 100 kW,
2º. zijn uitgerust met een dieselmotor die zodanig is ontworpen en wordt gebruikt dat de emissie vergelijkbaar is met of geringer is dan de emissie van een stads- of streekbus die is uitgerust met een dieselmotor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I bij richtlijn nr. 88/77/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende motoren met elektrische ontsteking (PbEG L 36), en
3º. ten minste tien kilometer lokaal-emissievrij kunnen rijden;
n. stads- en streekbussen, die: 1º. zijn uitgerust met een dieselmotor, en
2º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, waarvoor de grenswaarden zijn vastgelegd in rij B1 van punt 6.2.1. van bijlage 1 bij de in onderdeel m, onder 2°, genoemde richtlijn;
1º. zijn uitgerust met een dieselmotor, en
2º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, waarvoor de grenswaarden zijn vastgelegd in rij B1 van punt 6.2.1. van bijlage 1 bij de in onderdeel m, onder 2°, genoemde richtlijn;
o. stads- en streekbussen, die: 1º. zijn uitgerust met een verbrandingsmotor, en
2º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, waarvoor de grenswaarden zijn vastgelegd in rij C van punt 6.2.1. van bijlage 1 bij de in onderdeel m, 2°, genoemde richtlijn;
1º. zijn uitgerust met een verbrandingsmotor, en
2º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, waarvoor de grenswaarden zijn vastgelegd in rij C van punt 6.2.1. van bijlage 1 bij de in onderdeel m, 2°, genoemde richtlijn;
p. stads- en streekbussen, die per kilometer ten minste 20% minder CO2 uitstoten dan stads- en streekbussen met een conventionele aandrijving en met een gelijk vervoerspotentieel, uitgedrukt in het aantal te vervoeren passagiers, en die dezelfde brandstof verbruiken, waarbij de vergelijking van de CO2-emissie zonodig geschiedt op basis van een gelijk vervoerspotentieel;
q. vrachtauto's, touringcars en speciale voertuigen, die zijn uitgerust met een elektromotor waarvoor de elektrische energie uitsluitend wordt geleverd door een batterij of een brandstofcel;
r. vrachtauto's, touringcars en speciale voertuigen, die: 1º. zijn uitgerust met een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarvan het vermogen van de verbrandingsmotor niet meer bedraagt dan 100 kW, en
2º. zijn uitgerust met een dieselmotor die zodanig is ontworpen en wordt gebruikt dat de emissie vergelijkbaar is met of geringer is dan de emissie van een stads- of streekbus met een dieselmotor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I bij de in onderdeel m, 2°, genoemde richtlijn;
1º. zijn uitgerust met een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarvan het vermogen van de verbrandingsmotor niet meer bedraagt dan 100 kW, en
2º. zijn uitgerust met een dieselmotor die zodanig is ontworpen en wordt gebruikt dat de emissie vergelijkbaar is met of geringer is dan de emissie van een stads- of streekbus met een dieselmotor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I bij de in onderdeel m, 2°, genoemde richtlijn;
s. vrachtauto's, touringcars en speciale voertuigen, die: 1º. zijn uitgerust met een dieselmotor, en
2º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, waarvoor de grenswaarden zijn vastgelegd in rij B1 van punt 6.2.1. van bijlage 1 bij de in onderdeel m, 2°, genoemde richtlijn;
1º. zijn uitgerust met een dieselmotor, en
2º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, waarvoor de grenswaarden zijn vastgelegd in rij B1 van punt 6.2.1. van bijlage 1 bij de in onderdeel m, 2°, genoemde richtlijn;
t. vrachtauto's, touringcars en speciale voertuigen, die: 1º. zijn uitgerust met een verbrandingsmotor, en
2º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, waarvoor de grenswaarden zijn vastgelegd in rij C van punt 6.2.1. van bijlage 1 bij de in onderdeel m, 2°, genoemde richtlijn;
1º. zijn uitgerust met een verbrandingsmotor, en
2º. voldoen aan de eisen voor het jaar 2005, waarvoor de grenswaarden zijn vastgelegd in rij C van punt 6.2.1. van bijlage 1 bij de in onderdeel m, 2°, genoemde richtlijn;
u. vrachtauto's, touringcars en speciale voertuigen, die per kilometer ten minste 20% minder CO2 uitstoten dan vrachtwagens, touringcars en speciale voertuigen met een conventionele aandrijving die ontworpen zijn voor dezelfde toepassing en die dezelfde brandstof verbruiken, waarbij de vergelijking van de CO2-emissie zonodig geschiedt op basis van een gelijk vervoerspotentieel;
v. in afwijking van het vierde lid, onderdeel a, voor zover het een toepassingsproject betreft, ten minste 25 vrachtauto's die: 1º. in gebruik zijn genomen op enig tijdstip, gelegen in het tijdvak vanaf 2 januari 1991 tot en met 31 december 2000, en
2º. zijn uitgerust met een installatie waarmee de uitstoot van deeltjes wordt beperkt tot minder dan 0,02 g/kWh, gemeten volgens de methode die beschreven is in de in onderdeel m, 2°, genoemde richtlijn;
1º. in gebruik zijn genomen op enig tijdstip, gelegen in het tijdvak vanaf 2 januari 1991 tot en met 31 december 2000, en
2º. zijn uitgerust met een installatie waarmee de uitstoot van deeltjes wordt beperkt tot minder dan 0,02 g/kWh, gemeten volgens de methode die beschreven is in de in onderdeel m, 2°, genoemde richtlijn;
w. bijzondere voertuigen die zijn uitgerust met een elektromotor waarvoor de elektrische energie uitsluitend wordt geleverd door een batterij of een brandstofcel;
x. bijzondere voertuigen die zijn uitgerust met een combinatie van een elektromotor en een verbrandingsmotor, waarbij de aandrijving door de elektromotor zodanig is dat de elektrische energie voor een actieradius van ten minste zestien kilometer aaneengesloten stadsverkeer uitsluitend wordt geleverd door een batterij of een brandstofcel;
y. bijzondere voertuigen die: 1º. door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas of lpg te rijden, of
2º. op aardgas of lpg rijden en voldoen aan eisen die vergelijkbaar zijn met de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B van punt 5.3.1.4 van bijlage I bij de in onderdeel e genoemde richtlijn;
1º. door of onder verantwoordelijkheid van de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas of lpg te rijden, of
2º. op aardgas of lpg rijden en voldoen aan eisen die vergelijkbaar zijn met de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B van punt 5.3.1.4 van bijlage I bij de in onderdeel e genoemde richtlijn;
z. vaartuigen die zijn uitgerust met een of meer dieselmotoren met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW, die bestemd zijn voor de voortstuwing van het vaartuig en die zijn uitgerust met een systeem ter beperking van de uitstoot van stikstofoxiden, waardoor het gehalte stikstofoxiden in de uitlaatgassen, gecorrigeerd voor het zuurstofgehalte, onder praktijkomstandigheden met ten minste 75% wordt verminderd in vergelijking met eenzelfde motor zonder dat systeem onder dezelfde omstandigheden;
aa. vaartuigen die zijn uitgerust met een of meer dieselmotoren met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW die bestemd zijn voor de voortstuwing van het vaartuig en die zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat zij 20% minder CO2 uitstoten dan vergelijkbare vaartuigen onder dezelfde omstandigheden die op traditionele wijze zijn ontworpen en gebouwd;
ab. vaartuigen die zijn uitgerust met een of meer aardgasmotoren die bestemd zijn voor de voortstuwing van het vaartuig, met een gezamenlijk asvermogen van 100 kW tot 3000 kW, of
ac. vaartuigen die zijn uitgerust met een of meer dieselelektrische aandrijvingen met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW die bestemd zijn voor de voortstuwing van het vaartuig.
6. Een wijziging van de richtlijn, genoemd in het vijfde lid, onderdeel e, onder 2°, gaat voor de toepassing van dat onderdeel en onderdeel j, onder 2°, gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering behoort te zijn gegeven.
7. Een wijziging van de richtlijn, genoemd in het vijfde lid, onderdeel m, onder 2°, gaat voor de toepassing van dat onderdeel en de onderdelen n, o, r, s, t en v, allen onder 2°, gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering behoort te zijn gegeven.
8. Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening worden naast de in artikel 2, tweede lid, bedoelde aspecten betrokken:
a. de kosteneffectiviteit op lange termijn van de technische vernieuwing;
b. de mate waarin het project het gebruik van innovatieve technieken in mobiele bronnen onder marktconforme omstandigheden bevordert, en
c. de mate waarin het project vervanging van conventionele mobiele bronnen door mobiele bronnen die het milieu minder belasten, bevordert.
9. In afwijking van artikel 3 kan de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de subsidieaanvrager geldende en controleerbare methodiek.
10. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze paragraaf worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend.
11. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2002 bedraagt € 4.000.000,-.
12. Bij de subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat, wanneer de subsidieaanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.
13. Indien het een project betreft dat betrekking heeft op voertuigen, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat de voertuigen uiterlijk zestien maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, in gebruik worden genomen of, ingeval het project de vervanging van meer dan de helft van een wagenpark of meer dan 25 voertuigen betreft, dat de helft van de betrokken voertuigen uiterlijk zestien maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, in gebruik wordt genomen en de overige betrokken voertuigen uiterlijk binnen 24 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, in gebruik worden genomen.
14. Een aanvraag tot subsidieverlening kan worden ingediend door aanbieders of gebruikers van mobiele bronnen of technieken die bestemd zijn voor de toepassing op mobiele bronnen.
15. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling worden ingediend bij de Nederlandse Onderneming voor Energie en Milieu B.V., met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend voor 1 juli 2002.