BWBR0013299
Geldig vanaf 2002-01-09
Artikel 7
Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders
1. De minister betaalt op of omstreeks 15 februari van het kalenderjaar aan gemeenten een voorschot van 50% van de maximale subsidie bedoeld in artikel 4, tweede lid, zonder dat daartoe door het college van burgemeester en wethouders reeds een aanvraag is ingediend.
2. Gemeenten die over het jaar 2002 geen of een nihil jaaropgave als bedoeld in artikel 8 van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande oudersen over het jaar 2003 geen aanvraag voor kinderopvang als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van deze regelinghebben ingediend, ontvangen geen voorschot in het kalenderjaar, tenzij de aanvraag bedoeld in artikel 6, eerste lid, vóór 1 maart van het kalenderjaar door de minister is ontvangen. In dat geval ontvangt de gemeente het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op of omstreeks 15 april van het kalenderjaar.
3. De minister betaalt op of omstreeks 15 juni van het kalenderjaar aan gemeenten een voorschot van 80% van de maximale subsidie, bedoeld in artikel 6, zesde lid. Bij de betaalbaarstelling van dit voorschot wordt het voorschot, bedoeld in het eerste of tweede lid, verrekend dan wel teruggevorderd.
4. Indien de minister gebruik maakt van zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 4, derde lid, wordt de daaruit voortvloeiende hogere subsidie zo spoedig mogelijk bij wijze van voorschot in één keer aan gemeenten betaalbaar gesteld tot 80% van de maximale subsidie, bedoeld in artikel 6, zesde lid.
2. Gemeenten die over het jaar 2002 geen of een nihil jaaropgave als bedoeld in artikel 8 van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande oudersen over het jaar 2003 geen aanvraag voor kinderopvang als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van deze regelinghebben ingediend, ontvangen geen voorschot in het kalenderjaar, tenzij de aanvraag bedoeld in artikel 6, eerste lid, vóór 1 maart van het kalenderjaar door de minister is ontvangen. In dat geval ontvangt de gemeente het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op of omstreeks 15 april van het kalenderjaar.
3. De minister betaalt op of omstreeks 15 juni van het kalenderjaar aan gemeenten een voorschot van 80% van de maximale subsidie, bedoeld in artikel 6, zesde lid. Bij de betaalbaarstelling van dit voorschot wordt het voorschot, bedoeld in het eerste of tweede lid, verrekend dan wel teruggevorderd.
4. Indien de minister gebruik maakt van zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 4, derde lid, wordt de daaruit voortvloeiende hogere subsidie zo spoedig mogelijk bij wijze van voorschot in één keer aan gemeenten betaalbaar gesteld tot 80% van de maximale subsidie, bedoeld in artikel 6, zesde lid.