BWBR0013299
Geldig vanaf 2002-01-09
Artikel 3
Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders
1. De subsidie wordt verleend indien het college van burgemeester en wethouders voor de alleenstaande ouder of de alleenstaande ouder zelf met instemming van het college van burgemeester en wethouders, met een instelling of een natuurlijke persoon die de kinderopvangplaats verzorgt, daartoe een schriftelijke overeenkomst sluit.
2. In de overeenkomst is op duidelijke en overzichtelijke wijze vermeld:
a. de instelling jegens welke of de natuurlijke persoon jegens wie de uitgaven worden gedaan;
b. de instelling of de natuurlijk persoon die de kinderopvang verricht indien deze een andere is dan bedoeld in onderdeel a;
c. naam en geboortedatum van de kinderen voor wie de kinderopvang pleegt te worden genoten;
d. naam en adres van de alleenstaande ouder ten behoeve van wie de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegaan;
e. de periode waarin en het aantal dagen van de week waarop naar kinderopvang, buitenschoolse opvang of gastouderopvang onderscheiden, van deze regeling gebruik pleegt te worden gemaakt;.
f. het adres waar de kinderopvang pleegt plaats te vinden.
3. Het college van burgemeester en wethouders of de alleenstaande ouder, bedoeld in het eerste lid, die de overeenkomst aangaat, draagt er zorg voor dat in de overeenkomst:
a. geen langere opzegtermijn wordt opgenomen dan twee maanden, en
b. wordt vastgelegd dat de instelling of de natuurlijke persoon, bedoeld in onderdeel a of b van het tweede lid, verplicht is het college van burgemeester en wethouders te berichten indien zich onregelmatigheden voordoen ten aanzien van het gebruik van de kinderopvangplaats.
4. Na de ontvangst van een bericht als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, onderzoekt het college van burgemeester en wethouders of de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt voortgezet. Zo nodig zegt het college van burgemeester en wethouders de overeenkomst op.
5. Aan de gemeente wordt geen subsidie verleend voor zover ten aanzien van de overeenkomst voor de kinderopvangplaats recht bestaat op een andere subsidie of werkgeversbijdrage.
2. In de overeenkomst is op duidelijke en overzichtelijke wijze vermeld:
a. de instelling jegens welke of de natuurlijke persoon jegens wie de uitgaven worden gedaan;
b. de instelling of de natuurlijk persoon die de kinderopvang verricht indien deze een andere is dan bedoeld in onderdeel a;
c. naam en geboortedatum van de kinderen voor wie de kinderopvang pleegt te worden genoten;
d. naam en adres van de alleenstaande ouder ten behoeve van wie de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegaan;
e. de periode waarin en het aantal dagen van de week waarop naar kinderopvang, buitenschoolse opvang of gastouderopvang onderscheiden, van deze regeling gebruik pleegt te worden gemaakt;.
f. het adres waar de kinderopvang pleegt plaats te vinden.
3. Het college van burgemeester en wethouders of de alleenstaande ouder, bedoeld in het eerste lid, die de overeenkomst aangaat, draagt er zorg voor dat in de overeenkomst:
a. geen langere opzegtermijn wordt opgenomen dan twee maanden, en
b. wordt vastgelegd dat de instelling of de natuurlijke persoon, bedoeld in onderdeel a of b van het tweede lid, verplicht is het college van burgemeester en wethouders te berichten indien zich onregelmatigheden voordoen ten aanzien van het gebruik van de kinderopvangplaats.
4. Na de ontvangst van een bericht als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, onderzoekt het college van burgemeester en wethouders of de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt voortgezet. Zo nodig zegt het college van burgemeester en wethouders de overeenkomst op.
5. Aan de gemeente wordt geen subsidie verleend voor zover ten aanzien van de overeenkomst voor de kinderopvangplaats recht bestaat op een andere subsidie of werkgeversbijdrage.