BWBR0013299
Geldig vanaf 2002-01-09
Artikel 6
Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders
1. Het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat de minister uiterlijk op 1 mei van het kalenderjaar een aanvraag heeft ontvangen om in aanmerking te komen voor subsidie.
2. Bij de aanvraag wordt aangegeven tot welk subsidiebedrag het college van burgemeester en wethouders voornemens is in het kalenderjaar door middel van overeenkomsten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, kinderopvangplaatsen voor alleenstaande ouders aan te gaan. Daarbij kan het college van burgemeester en wethouders aangeven voor meer of minder subsidie in aanmerking te willen komen dan bij toepassing van artikel 4, tweede lid, voor die gemeente beschikbaar is. De aanvraag is ingericht volgens de bij deze regeling behorende bijlage 2.
3. Indien het college van burgemeester en wethouders bij de aanvraag te kennen geeft het maximum subsidiebedrag dat volgt uit de toepassing van artikel 4, tweede lid, niet of niet volledig te zullen aanwenden, kan de minister voor die gemeente een lagere maximale subsidie verlenen, overeenkomstig het door die gemeente aangegeven bedrag.
4. Indien de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, niet uiterlijk op 1 mei is ontvangen door de minister, kan de minister de subsidie ambtshalve op nihil vaststellen en wordt het voorschot bedoeld in artikel 7, eerste lid, teruggevorderd.
5. Indien de minister gebruik gemaakt heeft van de bevoegdheid, bedoeld in het derde of vierde lid, kan hij de daardoor resterende subsidie toedelen aan de gemeenten die meer subsidie hebben aangevraagd dan het maximale subsidiebedrag en voor die gemeenten een hogere maximale subsidie verlenen. Artikel 4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. Het college van burgemeester en wethouders dat zorgdraagt dat de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, tijdig is ontvangen door de minister, ontvangt voor 1 juli van het kalenderjaar van de minister een beschikking tot subsidieverlening waarin de maximale subsidie voor dat jaar is opgenomen.
2. Bij de aanvraag wordt aangegeven tot welk subsidiebedrag het college van burgemeester en wethouders voornemens is in het kalenderjaar door middel van overeenkomsten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, kinderopvangplaatsen voor alleenstaande ouders aan te gaan. Daarbij kan het college van burgemeester en wethouders aangeven voor meer of minder subsidie in aanmerking te willen komen dan bij toepassing van artikel 4, tweede lid, voor die gemeente beschikbaar is. De aanvraag is ingericht volgens de bij deze regeling behorende bijlage 2.
3. Indien het college van burgemeester en wethouders bij de aanvraag te kennen geeft het maximum subsidiebedrag dat volgt uit de toepassing van artikel 4, tweede lid, niet of niet volledig te zullen aanwenden, kan de minister voor die gemeente een lagere maximale subsidie verlenen, overeenkomstig het door die gemeente aangegeven bedrag.
4. Indien de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, niet uiterlijk op 1 mei is ontvangen door de minister, kan de minister de subsidie ambtshalve op nihil vaststellen en wordt het voorschot bedoeld in artikel 7, eerste lid, teruggevorderd.
5. Indien de minister gebruik gemaakt heeft van de bevoegdheid, bedoeld in het derde of vierde lid, kan hij de daardoor resterende subsidie toedelen aan de gemeenten die meer subsidie hebben aangevraagd dan het maximale subsidiebedrag en voor die gemeenten een hogere maximale subsidie verlenen. Artikel 4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. Het college van burgemeester en wethouders dat zorgdraagt dat de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, tijdig is ontvangen door de minister, ontvangt voor 1 juli van het kalenderjaar van de minister een beschikking tot subsidieverlening waarin de maximale subsidie voor dat jaar is opgenomen.