BWBR0013299
Geldig vanaf 2002-01-09
Artikel 13
Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders
1. Het college van burgemeester van een gemeente dat ten behoeve van een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de in het kalenderjaar oordeelt over de noodzaak van voortzetting van de bekostiging van de kinderopvang ten behoeve van die alleenstaande ouder, neemt daarbij in acht dat de minister in ieder geval tot één jaar na de aanvang van de arbeid van de alleenstaande ouder de subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, verleent.
2. Na het jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt de subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, door de minister slechts verleend indien het college van burgemeester en wethouders aantoont dat het door de alleenstaande ouder ontvangen loon inclusief de tot het loon te rekenen vergoedingen en eventueel daarenboven te verstrekken toeslagen die op grond van de artikelen 10, 10aen 11 van de Wet op de loonbelasting 1964tot het loon wordt gerekend, ten hoogste 130% van het voor hem geldende minimumloon op grond van de Wet minimumloon en minimum-vakantiebijslagbedraagt.
3. In afwijking van het tweede lid verleent de minister de subsidie, bedoeld in dat lid, nog tot maximaal 6 maanden na afloop van de periode van een jaar, bedoeld in dat lid, indien het college van burgemeester en wethouders beslist dat het stopzetten van de bekostiging van de kinderopvang ten behoeve van de alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1998voor wie de kinderopvang werd bekostigd op grond van genoemde regeling, zoals die luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze regeling.
2. Na het jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt de subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, door de minister slechts verleend indien het college van burgemeester en wethouders aantoont dat het door de alleenstaande ouder ontvangen loon inclusief de tot het loon te rekenen vergoedingen en eventueel daarenboven te verstrekken toeslagen die op grond van de artikelen 10, 10aen 11 van de Wet op de loonbelasting 1964tot het loon wordt gerekend, ten hoogste 130% van het voor hem geldende minimumloon op grond van de Wet minimumloon en minimum-vakantiebijslagbedraagt.
3. In afwijking van het tweede lid verleent de minister de subsidie, bedoeld in dat lid, nog tot maximaal 6 maanden na afloop van de periode van een jaar, bedoeld in dat lid, indien het college van burgemeester en wethouders beslist dat het stopzetten van de bekostiging van de kinderopvang ten behoeve van de alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1998voor wie de kinderopvang werd bekostigd op grond van genoemde regeling, zoals die luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze regeling.