BWBR0012098
Geldig vanaf 2001-02-01
Artikel 4
Tijdelijke beloningsregeling nachtarbeid 55-plussers RWS
1. Een medewerker die nachtarbeid verricht, bouwt een aanspraak op voor FPU-suppletie.
2. De aanspraak wordt uitgedrukt in het aantal maanden dat de medewerker vóór het bereiken van de voor hem geldende FPU-spilleeftijd, met FPU-ontslag kan gaan met een zodanige FPU-suppletie dat zijn FPU-uitkering tezamen met de FPU-suppletie gelijk is aan de FPU-uitkering die hij zou hebben ontvangen bij FPU-ontslag met ingang van zijn FPU-spilleeftijd.
3. Voor elke periode van een hele kalendermaand waarin opbouw van de aanspraak plaatsvindt, bouwt de medewerker een aanspraak op van 0,4 maand. Voor een periode korter dan een kalendermaand wordt de aanspraak naar rato vastgesteld tot twee decimalen achter de komma. Daarbij wordt een kalendermaand geacht 30 dagen te duren. De opbouw van de aanspraak vindt naar rato sneller of langzamer plaats indien de medewerker meer respectievelijk minder dan 23% van zijn werktijd nachtarbeid verricht.
4. Per kalenderjaar wordt achteraf vastgesteld hoeveel maanden aanspraak, tot twee decimalen achter de komma, de medewerker over dat kalenderjaar heeft opgebouwd.
5. Bij volledig ontslag van de medewerker wordt door optelling van zijn per kalenderjaar opgebouwde aanspraken vastgesteld hoeveel hele maanden aanspraak hij op het tijdstip van zijn ontslag heeft opgebouwd.
6. De opbouw van de aanspraak wordt opgeschort nadat de medewerker gedurende 26 kalenderweken niet daadwerkelijk nachtarbeid heeft verricht waarbij een hervatting van de nachtarbeid gedurende vier kalenderweken of minder geen nieuwe periode van 26 kalenderweken inluidt. Bij gehele of gedeeltelijke hervatting van de nachtarbeid wordt de opbouw van de aanspraak hervat.
7. Het percentage nachtarbeid wordt, tot twee decimalen achter de komma, per kalenderjaar achteraf vastgesteld. Het percentage wordt berekend door het aantal in het kalenderjaar tussen 22.00 uur en 06.00 uur gewerkte uren, te delen door het aantal in dat jaar gewerkte uren.
8. Indien op verzoek van de medewerker met toepassing van artikel 21a van het Algemeen Rijksambtenarenreglementzijn arbeidsduur is teruggebracht, wordt het percentage nachtarbeid berekend door het aantal in het kalenderjaar tussen 22.00 uur en 06.00 uur gewerkte uren, te delen door het aantal uren dat de medewerker in dat jaar zou hebben moeten werken indien zijn arbeidsduur niet was teruggebracht.
9. Indien de opbouw van de aanspraak in de loop van een kalenderjaar aanvangt, staakt of wordt opgeschort, vindt voor dat kalenderjaar de berekening van het percentage nachtarbeid plaats over de kalendermaanden waarin de opbouw plaatsvond.
10. Bij de berekening van het percentage nachtarbeid worden uren gedurende welke de medewerker in de periode waarin hij de aanspraak opbouwt arbeid zou hebben verricht maar deze niet daadwerkelijk heeft verricht door ziekte, vakantie, uitoefening van taken in het kader van de medezeggenschap of het georganiseerd overleg dan wel buitengewoon verlof met behoud van de bezoldiging of een deel daarvan, geacht uren te zijn gedurende welke de medewerker arbeid heeft verricht.
11. Zo nodig vindt bij de berekeningen rekenkundige afronding plaats.
2. De aanspraak wordt uitgedrukt in het aantal maanden dat de medewerker vóór het bereiken van de voor hem geldende FPU-spilleeftijd, met FPU-ontslag kan gaan met een zodanige FPU-suppletie dat zijn FPU-uitkering tezamen met de FPU-suppletie gelijk is aan de FPU-uitkering die hij zou hebben ontvangen bij FPU-ontslag met ingang van zijn FPU-spilleeftijd.
3. Voor elke periode van een hele kalendermaand waarin opbouw van de aanspraak plaatsvindt, bouwt de medewerker een aanspraak op van 0,4 maand. Voor een periode korter dan een kalendermaand wordt de aanspraak naar rato vastgesteld tot twee decimalen achter de komma. Daarbij wordt een kalendermaand geacht 30 dagen te duren. De opbouw van de aanspraak vindt naar rato sneller of langzamer plaats indien de medewerker meer respectievelijk minder dan 23% van zijn werktijd nachtarbeid verricht.
4. Per kalenderjaar wordt achteraf vastgesteld hoeveel maanden aanspraak, tot twee decimalen achter de komma, de medewerker over dat kalenderjaar heeft opgebouwd.
5. Bij volledig ontslag van de medewerker wordt door optelling van zijn per kalenderjaar opgebouwde aanspraken vastgesteld hoeveel hele maanden aanspraak hij op het tijdstip van zijn ontslag heeft opgebouwd.
6. De opbouw van de aanspraak wordt opgeschort nadat de medewerker gedurende 26 kalenderweken niet daadwerkelijk nachtarbeid heeft verricht waarbij een hervatting van de nachtarbeid gedurende vier kalenderweken of minder geen nieuwe periode van 26 kalenderweken inluidt. Bij gehele of gedeeltelijke hervatting van de nachtarbeid wordt de opbouw van de aanspraak hervat.
7. Het percentage nachtarbeid wordt, tot twee decimalen achter de komma, per kalenderjaar achteraf vastgesteld. Het percentage wordt berekend door het aantal in het kalenderjaar tussen 22.00 uur en 06.00 uur gewerkte uren, te delen door het aantal in dat jaar gewerkte uren.
8. Indien op verzoek van de medewerker met toepassing van artikel 21a van het Algemeen Rijksambtenarenreglementzijn arbeidsduur is teruggebracht, wordt het percentage nachtarbeid berekend door het aantal in het kalenderjaar tussen 22.00 uur en 06.00 uur gewerkte uren, te delen door het aantal uren dat de medewerker in dat jaar zou hebben moeten werken indien zijn arbeidsduur niet was teruggebracht.
9. Indien de opbouw van de aanspraak in de loop van een kalenderjaar aanvangt, staakt of wordt opgeschort, vindt voor dat kalenderjaar de berekening van het percentage nachtarbeid plaats over de kalendermaanden waarin de opbouw plaatsvond.
10. Bij de berekening van het percentage nachtarbeid worden uren gedurende welke de medewerker in de periode waarin hij de aanspraak opbouwt arbeid zou hebben verricht maar deze niet daadwerkelijk heeft verricht door ziekte, vakantie, uitoefening van taken in het kader van de medezeggenschap of het georganiseerd overleg dan wel buitengewoon verlof met behoud van de bezoldiging of een deel daarvan, geacht uren te zijn gedurende welke de medewerker arbeid heeft verricht.
11. Zo nodig vindt bij de berekeningen rekenkundige afronding plaats.