BWBR0012098
Geldig vanaf 2001-02-01
Artikel 11
Tijdelijke beloningsregeling nachtarbeid 55-plussers RWS
1. In afwijking van de artikelen 4 tot en met 7, heeft een medewerker:
a. die op 1 februari 2001 59,5 jaar of ouder is; en
b. aan wie ten minste drie maanden na de dag waarop zijn aanvraag om FPU-ontslag is ingekomen, FPU-ontslag wordt verleend met ingang van een dag niet eerder dan 1 mei 2001 en niet eerder dan de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt en niet later dan de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 61 jaar bereikt,
met ingang van het tijdstip van zijn FPU-ontslag op diens aanvraag aanspraak op een FPU-suppletie en het namens hem betalen van de premie voor het voortzetten van pensioenopbouw overeenkomstig het tweede lid.
2. De medewerker wordt op het tijdstip waarop hem FPU-ontslag wordt verleend, geacht gedurende vijf jaar nachtarbeid te hebben verricht overeenkomstig de gebruikelijke werktijdregeling die in die periode gold voor medewerkers die met dezelfde of een vergelijkbare functie waren belast. Het aantal maanden aanspraak als bedoeld in de artikel 4waarop de medewerker aldus aanspraak heeft, is ten hoogste gelijk aan het aantal maanden dat gelegen is tussen het tijdstip waarop de medewerker met FPU-ontslag gaat en de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 61 jaar bereikt.
a. die op 1 februari 2001 59,5 jaar of ouder is; en
b. aan wie ten minste drie maanden na de dag waarop zijn aanvraag om FPU-ontslag is ingekomen, FPU-ontslag wordt verleend met ingang van een dag niet eerder dan 1 mei 2001 en niet eerder dan de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt en niet later dan de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 61 jaar bereikt,
met ingang van het tijdstip van zijn FPU-ontslag op diens aanvraag aanspraak op een FPU-suppletie en het namens hem betalen van de premie voor het voortzetten van pensioenopbouw overeenkomstig het tweede lid.
2. De medewerker wordt op het tijdstip waarop hem FPU-ontslag wordt verleend, geacht gedurende vijf jaar nachtarbeid te hebben verricht overeenkomstig de gebruikelijke werktijdregeling die in die periode gold voor medewerkers die met dezelfde of een vergelijkbare functie waren belast. Het aantal maanden aanspraak als bedoeld in de artikel 4waarop de medewerker aldus aanspraak heeft, is ten hoogste gelijk aan het aantal maanden dat gelegen is tussen het tijdstip waarop de medewerker met FPU-ontslag gaat en de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 61 jaar bereikt.