BWBR0012038
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel 13
Subsidieregeling milieugerichte technologie 2001
1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
2. Het Subsidieprogramma klimaatneutrale gasvormige en vloeibare energiedragers 2001 heeft als doel het bevorderen van het ontwerpen van ketens alsmede het tot stand brengen van formele allianties voor de productie en algemene toepassing van klimaatneutrale gasvormige en vloeibare energiedragers.
3. Een project komt voor subsidie in aanmerking indien het een preconcurrentieel haalbaarheidsproject betreft, gericht op de productie en algemene toepassing van klimaatneutrale gasvormige en vloeibare energiedragers, waarbij:
a. de vorming van een formele alliantie wordt onderzocht;
b. de hoofdlijnen van het ketenontwerp inzichtelijk worden gemaakt;
c. de planning erop gericht is dat het preconcurrentieel haalbaarheidsproject voor mei 2002 is afgerond.
4. Een project komt niet voor subsidie in aanmerking indien er geen partij bij betrokken is die de mogelijkheid en de capaciteit heeft de techniek grootschalig op de markt te introduceren.
5. Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening worden, onverminderd artikel 2, tweede lid, de volgende aspecten betrokken:
a de mate waarin er sprake is van deelname aan het project van organisaties uit de te ontwerpen keten;
b de termijn waarop de voorgestelde keten grootschalig op de markt geïntroduceerd kan worden;
c de potentiële CO2 emissiebeperking op het tijdstip dat de techniek algemeen wordt toegepast;
e de meerkosten per ton uitgespaarde CO2 op het tijdstip dat de techniek algemeen wordt toegepast;
f de mate waarin de voorgestelde keten voorbereid is op nieuwe technologische, infrastructurele ontwikkelingen;
g de potentiële beperking van overige milieu-emissies, waaronder begrepen niet-CO2 emissies, op het tijdstip dat de techniek algemeen wordt toegepast;
h de mate waarin concreet is gemaakt welke stappen nodig zijn om tot een succesvolle demonstratie te komen.
6. In afwijking van artikel 3kan de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezicht houdend personeel geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de subsidieaanvrager geldende en controleerbare methodiek.
7. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening worden niet tot de subsidiabele projectkosten gerekend.
8. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2001 bedraagt f 1.000.000,-.
9. Aanvragen tot subsidieverlening worden gelijktijdig beoordeeld op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstelling van het subsidieprogramma.
10. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling worden ingediend bij de Nederlandse onderneming voor energie en milieu B.V. met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend voor 13 oktober 2001.
11. Met de indiening van een aanvraag tot subsidieverlening verklaart de aanvrager op de hoogte te zijn van de inhoud van deze regeling.
2. Het Subsidieprogramma klimaatneutrale gasvormige en vloeibare energiedragers 2001 heeft als doel het bevorderen van het ontwerpen van ketens alsmede het tot stand brengen van formele allianties voor de productie en algemene toepassing van klimaatneutrale gasvormige en vloeibare energiedragers.
3. Een project komt voor subsidie in aanmerking indien het een preconcurrentieel haalbaarheidsproject betreft, gericht op de productie en algemene toepassing van klimaatneutrale gasvormige en vloeibare energiedragers, waarbij:
a. de vorming van een formele alliantie wordt onderzocht;
b. de hoofdlijnen van het ketenontwerp inzichtelijk worden gemaakt;
c. de planning erop gericht is dat het preconcurrentieel haalbaarheidsproject voor mei 2002 is afgerond.
4. Een project komt niet voor subsidie in aanmerking indien er geen partij bij betrokken is die de mogelijkheid en de capaciteit heeft de techniek grootschalig op de markt te introduceren.
5. Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening worden, onverminderd artikel 2, tweede lid, de volgende aspecten betrokken:
a de mate waarin er sprake is van deelname aan het project van organisaties uit de te ontwerpen keten;
b de termijn waarop de voorgestelde keten grootschalig op de markt geïntroduceerd kan worden;
c de potentiële CO2 emissiebeperking op het tijdstip dat de techniek algemeen wordt toegepast;
e de meerkosten per ton uitgespaarde CO2 op het tijdstip dat de techniek algemeen wordt toegepast;
f de mate waarin de voorgestelde keten voorbereid is op nieuwe technologische, infrastructurele ontwikkelingen;
g de potentiële beperking van overige milieu-emissies, waaronder begrepen niet-CO2 emissies, op het tijdstip dat de techniek algemeen wordt toegepast;
h de mate waarin concreet is gemaakt welke stappen nodig zijn om tot een succesvolle demonstratie te komen.
6. In afwijking van artikel 3kan de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezicht houdend personeel geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de subsidieaanvrager geldende en controleerbare methodiek.
7. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening worden niet tot de subsidiabele projectkosten gerekend.
8. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2001 bedraagt f 1.000.000,-.
9. Aanvragen tot subsidieverlening worden gelijktijdig beoordeeld op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstelling van het subsidieprogramma.
10. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling worden ingediend bij de Nederlandse onderneming voor energie en milieu B.V. met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend voor 13 oktober 2001.
11. Met de indiening van een aanvraag tot subsidieverlening verklaart de aanvrager op de hoogte te zijn van de inhoud van deze regeling.