BWBR0012038
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel 12
Subsidieregeling milieugerichte technologie 2001
1. Het subsidieprogramma productgerichte milieuzorg 2001 heeft als doel het stimuleren van de verdere ontwikkeling en verspreiding van productgerichte milieuzorgsystemen, gericht op continue verbetering en beheersing van de milieuprestaties van producten en diensten in de keten.
2. Een project komt in aanmerking voor subsidie indien het:
a. een industrieel onderzoeksproject betreft;
b. een toepassingsproject betreft, of
c. een kennisoverdrachtproject betreft.
3. Een project komt niet voor subsidieverlening in aanmerking indien:
a. de subsidiabele projectkosten lager zijn dan f 25.000,-;
b. het project is gericht op kennisoverdracht, waarbij geen intermediaire organisatie is betrokken;
c. het voor de desbetreffende projectcategorie beschikbare bedrag, genoemd in het negende lid, wordt overschreden, of
d. op basis van de aspecten, genoemd in het vierde lid, wordt vastgesteld dat het project een naar het oordeel van de minister te geringe of onevenwichtige bijdrage levert aan de doelstelling van het subsidieprogramma productgerichte milieuzorg 2001.
4. Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening worden, onverminderd artikel 2, tweede lid, de volgende aspecten betrokken:
a. de kosten van het project in relatie tot de kwaliteit en de beoogde resultaten ervan;
b. de meerwaarde van het project, waarbij in elk geval wordt gelet op: 1º. de mate waarin relevante informatie aan de bestaande kennis wordt toegevoegd;
2º. de toepassingsmogelijkheden van de ontwikkelde kennis;
3º. het uitstralingseffect;
4º. de voorbeeldwerking.
1º. de mate waarin relevante informatie aan de bestaande kennis wordt toegevoegd;
2º. de toepassingsmogelijkheden van de ontwikkelde kennis;
3º. het uitstralingseffect;
4º. de voorbeeldwerking.
c. de slaagkans van het project, waarbij in elk geval wordt gelet op: 1º. de opzet en aanpak, en
2º. het committment van de aanvragers en de overige bij het project betrokkenen;
1º. de opzet en aanpak, en
2º. het committment van de aanvragers en de overige bij het project betrokkenen;
d. de mate waarin sprake is van een systematische beheersstructuur, uitgaande van de drie kenmerken van productgerichte milieuzorg: 1º. verankering door middel van een zorgsysteem;
2º. continue verbetering van de milieuprestaties van het product in de keten, en
3º. betrokkenheid van partijen in de productketen.
1º. verankering door middel van een zorgsysteem;
2º. continue verbetering van de milieuprestaties van het product in de keten, en
3º. betrokkenheid van partijen in de productketen.
5. Artikel 3, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 3°, 4° en 6°, is niet van toepassing op een project als bedoeld in het tweede lid.
6. In afwijking van artikel 3, eerste lid, onderdelen a, onder 2°, en b, kan de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de aanvrager van subsidie geldende en controleerbare methodiek.
7. De hoogte van het maximale subsidiepercentage van de subsidiabele kosten, onderscheidenlijk het maximale subsidiebedrag, is voor:
a. een industrieel onderzoeksproject van een intermediaire organisatie: 50% tot een maximaal subsidiebedrag van f 125.000,-;
b. een industrieel onderzoeksproject van een onderneming die bij inschrijving in het Handelsregister blijkens de Bedrijfsindeling Kamers van Koophandel 1995 is ingedeeld onder sectie D (Industrie) van die bedrijfsindeling: 50% tot een maximaal subsidiebedrag van f 100.000,-;
c. een toepassingsproject van een intermediaire organisatie: 50% tot een maximaal subsidiebedrag van f 75.000,-;
d. een toepassingsproject van een onderneming die bij inschrijving in het Handelsregister blijkens de Bedrijfsindeling Kamers van Koophandel 1995 is ingedeeld onder sectie D (Industrie) van die bedrijfsindeling: 50% tot een maximaal subsidiebedrag van f 50.000,-, en
e. een kennisoverdrachtproject: 50% tot een maximaal subsidiebedrag van f 100.000,-.
8. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van een aanvraag tot subsidieverlening worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend.
9. Het subsidieplafond bedraagt voor het kalenderjaar 2001 f 2.300.000,- waarvan f 1.800.000,- beschikbaar is voor de industriesector en f 500.000,- voor de overige sectoren.
10. Bij de subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat, wanneer de aanvrager tot subsidieverlening krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrechtde gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.
11. Een aanvraag tot subsidieverlening kan worden ingediend door een onderneming die bij inschrijving in het Handelsregister blijkens de Bedrijfsindeling Kamers van Koophandel 1995 is ingedeeld onder sectie D (Industrie) van die bedrijfsindeling, een intermediaire organisatie voor die ondernemingen of door een intermediaire organisatie voor andere ondernemingen.
12. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling worden ingediend bij de Nederlandse Onderneming Voor Energie en Milieu B.V. met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend vóór 13 oktober 2001.
13. Met de indiening van een aanvraag tot subsidieverlening verklaart de aanvrager op de hoogte te zijn van de inhoud van deze regeling.
2. Een project komt in aanmerking voor subsidie indien het:
a. een industrieel onderzoeksproject betreft;
b. een toepassingsproject betreft, of
c. een kennisoverdrachtproject betreft.
3. Een project komt niet voor subsidieverlening in aanmerking indien:
a. de subsidiabele projectkosten lager zijn dan f 25.000,-;
b. het project is gericht op kennisoverdracht, waarbij geen intermediaire organisatie is betrokken;
c. het voor de desbetreffende projectcategorie beschikbare bedrag, genoemd in het negende lid, wordt overschreden, of
d. op basis van de aspecten, genoemd in het vierde lid, wordt vastgesteld dat het project een naar het oordeel van de minister te geringe of onevenwichtige bijdrage levert aan de doelstelling van het subsidieprogramma productgerichte milieuzorg 2001.
4. Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening worden, onverminderd artikel 2, tweede lid, de volgende aspecten betrokken:
a. de kosten van het project in relatie tot de kwaliteit en de beoogde resultaten ervan;
b. de meerwaarde van het project, waarbij in elk geval wordt gelet op: 1º. de mate waarin relevante informatie aan de bestaande kennis wordt toegevoegd;
2º. de toepassingsmogelijkheden van de ontwikkelde kennis;
3º. het uitstralingseffect;
4º. de voorbeeldwerking.
1º. de mate waarin relevante informatie aan de bestaande kennis wordt toegevoegd;
2º. de toepassingsmogelijkheden van de ontwikkelde kennis;
3º. het uitstralingseffect;
4º. de voorbeeldwerking.
c. de slaagkans van het project, waarbij in elk geval wordt gelet op: 1º. de opzet en aanpak, en
2º. het committment van de aanvragers en de overige bij het project betrokkenen;
1º. de opzet en aanpak, en
2º. het committment van de aanvragers en de overige bij het project betrokkenen;
d. de mate waarin sprake is van een systematische beheersstructuur, uitgaande van de drie kenmerken van productgerichte milieuzorg: 1º. verankering door middel van een zorgsysteem;
2º. continue verbetering van de milieuprestaties van het product in de keten, en
3º. betrokkenheid van partijen in de productketen.
1º. verankering door middel van een zorgsysteem;
2º. continue verbetering van de milieuprestaties van het product in de keten, en
3º. betrokkenheid van partijen in de productketen.
5. Artikel 3, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 3°, 4° en 6°, is niet van toepassing op een project als bedoeld in het tweede lid.
6. In afwijking van artikel 3, eerste lid, onderdelen a, onder 2°, en b, kan de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de aanvrager van subsidie geldende en controleerbare methodiek.
7. De hoogte van het maximale subsidiepercentage van de subsidiabele kosten, onderscheidenlijk het maximale subsidiebedrag, is voor:
a. een industrieel onderzoeksproject van een intermediaire organisatie: 50% tot een maximaal subsidiebedrag van f 125.000,-;
b. een industrieel onderzoeksproject van een onderneming die bij inschrijving in het Handelsregister blijkens de Bedrijfsindeling Kamers van Koophandel 1995 is ingedeeld onder sectie D (Industrie) van die bedrijfsindeling: 50% tot een maximaal subsidiebedrag van f 100.000,-;
c. een toepassingsproject van een intermediaire organisatie: 50% tot een maximaal subsidiebedrag van f 75.000,-;
d. een toepassingsproject van een onderneming die bij inschrijving in het Handelsregister blijkens de Bedrijfsindeling Kamers van Koophandel 1995 is ingedeeld onder sectie D (Industrie) van die bedrijfsindeling: 50% tot een maximaal subsidiebedrag van f 50.000,-, en
e. een kennisoverdrachtproject: 50% tot een maximaal subsidiebedrag van f 100.000,-.
8. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van een aanvraag tot subsidieverlening worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend.
9. Het subsidieplafond bedraagt voor het kalenderjaar 2001 f 2.300.000,- waarvan f 1.800.000,- beschikbaar is voor de industriesector en f 500.000,- voor de overige sectoren.
10. Bij de subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat, wanneer de aanvrager tot subsidieverlening krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrechtde gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.
11. Een aanvraag tot subsidieverlening kan worden ingediend door een onderneming die bij inschrijving in het Handelsregister blijkens de Bedrijfsindeling Kamers van Koophandel 1995 is ingedeeld onder sectie D (Industrie) van die bedrijfsindeling, een intermediaire organisatie voor die ondernemingen of door een intermediaire organisatie voor andere ondernemingen.
12. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling worden ingediend bij de Nederlandse Onderneming Voor Energie en Milieu B.V. met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend vóór 13 oktober 2001.
13. Met de indiening van een aanvraag tot subsidieverlening verklaart de aanvrager op de hoogte te zijn van de inhoud van deze regeling.