BWBR0012038
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel 10
Subsidieregeling milieugerichte technologie 2001
1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
2. Het Subsidieprogramma Demonstratieprojecten Mobiele Bronnen 2001 heeft als doel het stimuleren van invoering op de Nederlandse markt van milieu-innovatieve mobiele bronnen onder marktconforme omstandigheden.
3. Een project komt voor subsidie in aanmerking, indien het project betrekking heeft op:
a. personenauto's met een volledig elektrische aandrijving;
b. personenauto's met een hybride aandrijving;
c. personenauto's die: 1º. door de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas te rijden, en
2º. reeds voldoen aan de eisen voor het jaar 2005 zoals vastgelegd in rij B van punt 5.3.1.4 van bijlage I van richtlijn 70/220 EEG van de Raad van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen (PbEG L76);
1º. door de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas te rijden, en
2º. reeds voldoen aan de eisen voor het jaar 2005 zoals vastgelegd in rij B van punt 5.3.1.4 van bijlage I van richtlijn 70/220 EEG van de Raad van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen (PbEG L76);
d. bestelauto's met volledig elektrische aandrijving;
e. bestelauto's met een hybride aandrijving;
f. bestelauto's die: 1º. door de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op lpg of aardgas te rijden, en
2º. reeds voldoen aan de eisen als bedoeld in onderdeel c, onder 2°;
1º. door de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op lpg of aardgas te rijden, en
2º. reeds voldoen aan de eisen als bedoeld in onderdeel c, onder 2°;
g. stads- en streekbussen, die zijn uitgerust met een dieselmotor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2005, waarvoor de grenswaarden zijn vastgelegd in rij B1 van punt 6.2.1. van bijlage 1 van richtlijn nr. 88/77/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende motoren met elektrische ontsteking (PbEG L36);
h. stads- en streekbussen, die: 1º. zijn voorzien van een hybride aandrijving waarvan, bij een voertuig met een lengte van 12 meter of minder, het vermogen van de verbrandingsmotor niet meer bedraagt dan 100 kW, en
2º. zijn uitgerust met een motor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000 zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn;
1º. zijn voorzien van een hybride aandrijving waarvan, bij een voertuig met een lengte van 12 meter of minder, het vermogen van de verbrandingsmotor niet meer bedraagt dan 100 kW, en
2º. zijn uitgerust met een motor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000 zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn;
i. stads- en streekbussen, die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor: 1º. die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000 zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn, en
2º. die per kilometer ten minste 15% minder CO2 uitstoten dan vergelijkbare voertuigen;
1º. die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000 zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn, en
2º. die per kilometer ten minste 15% minder CO2 uitstoten dan vergelijkbare voertuigen;
j. stads- of streekbussen, vrachtauto's, speciale voertuigen en touringcars die: 1º. in gebruik zijn genomen op enig tijdstip, gelegen in het tijdvak vanaf 2 januari 1991 tot en met 31 december 2000, en
2º. die in het kader van het project worden voorzien van een installatie waarmee de uitstoot van deeltjes wordt beperkt tot minder dan 0,02 g/kWh, gemeten volgens de methode die beschreven is in aanhangsel 4 van bijlage III van de in onderdeel g genoemde richtlijn;
1º. in gebruik zijn genomen op enig tijdstip, gelegen in het tijdvak vanaf 2 januari 1991 tot en met 31 december 2000, en
2º. die in het kader van het project worden voorzien van een installatie waarmee de uitstoot van deeltjes wordt beperkt tot minder dan 0,02 g/kWh, gemeten volgens de methode die beschreven is in aanhangsel 4 van bijlage III van de in onderdeel g genoemde richtlijn;
k. vrachtauto's, speciale voertuigen en touringcars met een hybride aandrijving, die lokaal emissievrij kunnen rijden;
l. vrachtauto's, speciale voertuigen en touringcars, die zijn uitgerust met een LPG- of aardgasmotor die voldoet aan de eisen zoals vastgelegd in rij C van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn;
m. vrachtauto's, speciale voertuigen en touringcars, die zijn uitgerust met een dieselmotor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B1 van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn;
n. vrachtauto's, speciale voertuigen, touringcars of stads- en streekbussen, die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor: 1º. die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn, en
2º. die per kilometer ten minste 15% minder CO2 uitstoten dan vergelijkbare voertuigen;
1º. die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn, en
2º. die per kilometer ten minste 15% minder CO2 uitstoten dan vergelijkbare voertuigen;
o. vaartuigen met een of meerdere dieselmotoren met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW, bestemd voor de voortstuwing van het vaartuig en die zijn voorzien van een systeem waarmee het gehalte stikstofoxiden in de uitlaatgassen, gecorrigeerd met het zuurstofgehalte onder praktijkomstandigheden met ten minste 75% wordt verminderd in vergelijking met eenzelfde motor zonder dat systeem onder dezelfde omstandigheden;
p. vaartuigen met een of meerdere dieselmotoren met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW, bestemd voor de voortstuwing van het vaartuig en die zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat zij 30% minder CO2 uitstoten dan vergelijkbare vaartuigen onder dezelfde omstandigheden die op traditionele wijze zijn ontworpen en gebouwd;
q. vaartuigen met een of meerdere aardgasmotoren met een gezamenlijk asvermogen van 100 kW tot 3000 kW, bestemd voor de voortstuwing van het vaartuig;
r. vaartuigen met een of meerdere dieselelektrische aandrijvingen met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW, bestemd voor de voortstuwing van het vaartuig, of
s. elektrische bromfietsen, indien de elektrische bromfietsen in dit project dienen ter vervanging van door verbrandingsmotoren aangedreven wegvoertuigen.
4. Een wijziging van de richtlijn nr. 70/220/EEGvan de Raad de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking (PbEG L76) gaat voor de toepassing van het derde lid, onderdeel c, onder 2°, gelden met ingang van de dag waarop de betrokken wijzigingsrichtlijn in werking is getreden.
5. Een wijziging van de richtlijn nr. 88/77/EEGvan de Raad de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten met betrekking tot de tegen de emissie van verontreinigende gassen door voertuigmotoren met compressieontsteking (PbEG L36) gaat voor de toepassing van het derde lid, onderdelen g, h onder 2°, i onder 1°, j onder 1°, l, m en n, onder 1°, gelden met ingang van de dag waarop de betrokken wijzigingsrichtlijn in werking is getreden.
6. Een project komt voorts slechts voor subsidie in aanmerking indien:
a. de een preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft in welk kader eerste prototypen in de praktijk beproefd worden en waarvan de subsidiabele kosten hoger zijn dan f 200.000,-;
b. het een demonstratieproject betreft waarvan de subsidiabele kosten hoger zijn dan f 250.000,-;
c. het een marktintroductieproject betreft waarvan de subsidiabele kosten hoger zijn dan f 1.000.000,-;
d. het een toepassingsproject betreft waarbij gebruik wordt gemaakt van ten minste 25 personen- of bestelauto's met een hybride of elektrisch aandrijfsysteem;
e. het een toepassingsproject betreft waarbij gebruik wordt gemaakt van ten minste 10 vrachtauto's, speciale voertuigen, touringcars of stads- of streekbussen, als bedoeld in het derde lid, of
f. het een kennisoverdrachtsproject betreft met betrekking tot de overdracht van kennis die is opgedaan in projecten met mobiele bronnen waarvoor een bijdrage is toegekend op grond van de regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 maart 1998, nr. DGM/SP 98022985, houdende vaststelling voor 1998 van programma's en subsidieplafonds op grond van het Subsidiebesluit milieugerichte technologie, de Regeling milieugerichte technologie 1999, of de onderhavige regeling, voor zover die kennisoverdracht niet reeds deel uitmaakte van die projecten., en waarvan de subsidiabele kosten hoger zijn dan f 50.000,-.
7. Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening worden naast de in artikel 2, tweede lid, bedoelde aspecten betrokken:
a. de kosteneffectiviteit op lange termijn van de technische vernieuwing;
b. de mate waarin het project het gebruik van milieu-innovatieve mobiele bronnen of technieken onder marktconforme omstandigheden bevordert.
8. In afwijking van artikel 3 kan de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de subsidieaanvrager geldende en controleerbare methodiek.
9. Kosten die zijn gemaakt voor de datum van indiening van de aanvraag tot subsidieverlening, kunnen tot de subsidiabele kosten worden gerekend, indien zij zijn gemaakt op of na de datum van inwerkingtreding van deze regeling.
10. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2001 bedraagt f 10.000.000,-.
11. Bij de subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen met dien verstande dat, wanneer de subsidieaanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.
12. Indien het een project betreft dat betrekking heeft op wegvoertuigen, draagt de subsidieontvanger er voor zorg dat de wegvoertuigen uiterlijk 16 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, in gebruik worden genomen, dan wel - ingeval het project de vervanging van meer dan de helft van een wagenpark of meer dan 25 wegvoertuigen betreft - de eerste helft van de wegvoertuigen waarop het project betrekking heeft, uiterlijk 16 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, in gebruik wordt genomen en de tweede helft van de wegvoertuigen waarop het project betrekking heeft, uiterlijk binnen 24 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, in gebruik wordt genomen.
13. Een aanvraag tot subsidieverlening kan worden ingediend door niet tot de rijksoverheid behorende aanbieders of gebruikers van mobiele bronnen of technieken, bestemd voor de toepassing op mobiele bronnen. Kennisoverdrachtsprojecten kunnen tevens worden ingediend door bedrijven en instellingen die zich beroepsmatig met het overdragen van kennis bezighouden.
14. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling worden ingediend bij de Nederlandse onderneming voor energie en milieu B.V., met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend voor 15 november 2001.
2. Het Subsidieprogramma Demonstratieprojecten Mobiele Bronnen 2001 heeft als doel het stimuleren van invoering op de Nederlandse markt van milieu-innovatieve mobiele bronnen onder marktconforme omstandigheden.
3. Een project komt voor subsidie in aanmerking, indien het project betrekking heeft op:
a. personenauto's met een volledig elektrische aandrijving;
b. personenauto's met een hybride aandrijving;
c. personenauto's die: 1º. door de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas te rijden, en
2º. reeds voldoen aan de eisen voor het jaar 2005 zoals vastgelegd in rij B van punt 5.3.1.4 van bijlage I van richtlijn 70/220 EEG van de Raad van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen (PbEG L76);
1º. door de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op aardgas te rijden, en
2º. reeds voldoen aan de eisen voor het jaar 2005 zoals vastgelegd in rij B van punt 5.3.1.4 van bijlage I van richtlijn 70/220 EEG van de Raad van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen (PbEG L76);
d. bestelauto's met volledig elektrische aandrijving;
e. bestelauto's met een hybride aandrijving;
f. bestelauto's die: 1º. door de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op lpg of aardgas te rijden, en
2º. reeds voldoen aan de eisen als bedoeld in onderdeel c, onder 2°;
1º. door de fabrikant voorzien zijn van de mogelijkheid om op lpg of aardgas te rijden, en
2º. reeds voldoen aan de eisen als bedoeld in onderdeel c, onder 2°;
g. stads- en streekbussen, die zijn uitgerust met een dieselmotor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2005, waarvoor de grenswaarden zijn vastgelegd in rij B1 van punt 6.2.1. van bijlage 1 van richtlijn nr. 88/77/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende motoren met elektrische ontsteking (PbEG L36);
h. stads- en streekbussen, die: 1º. zijn voorzien van een hybride aandrijving waarvan, bij een voertuig met een lengte van 12 meter of minder, het vermogen van de verbrandingsmotor niet meer bedraagt dan 100 kW, en
2º. zijn uitgerust met een motor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000 zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn;
1º. zijn voorzien van een hybride aandrijving waarvan, bij een voertuig met een lengte van 12 meter of minder, het vermogen van de verbrandingsmotor niet meer bedraagt dan 100 kW, en
2º. zijn uitgerust met een motor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000 zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn;
i. stads- en streekbussen, die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor: 1º. die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000 zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn, en
2º. die per kilometer ten minste 15% minder CO2 uitstoten dan vergelijkbare voertuigen;
1º. die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000 zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn, en
2º. die per kilometer ten minste 15% minder CO2 uitstoten dan vergelijkbare voertuigen;
j. stads- of streekbussen, vrachtauto's, speciale voertuigen en touringcars die: 1º. in gebruik zijn genomen op enig tijdstip, gelegen in het tijdvak vanaf 2 januari 1991 tot en met 31 december 2000, en
2º. die in het kader van het project worden voorzien van een installatie waarmee de uitstoot van deeltjes wordt beperkt tot minder dan 0,02 g/kWh, gemeten volgens de methode die beschreven is in aanhangsel 4 van bijlage III van de in onderdeel g genoemde richtlijn;
1º. in gebruik zijn genomen op enig tijdstip, gelegen in het tijdvak vanaf 2 januari 1991 tot en met 31 december 2000, en
2º. die in het kader van het project worden voorzien van een installatie waarmee de uitstoot van deeltjes wordt beperkt tot minder dan 0,02 g/kWh, gemeten volgens de methode die beschreven is in aanhangsel 4 van bijlage III van de in onderdeel g genoemde richtlijn;
k. vrachtauto's, speciale voertuigen en touringcars met een hybride aandrijving, die lokaal emissievrij kunnen rijden;
l. vrachtauto's, speciale voertuigen en touringcars, die zijn uitgerust met een LPG- of aardgasmotor die voldoet aan de eisen zoals vastgelegd in rij C van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn;
m. vrachtauto's, speciale voertuigen en touringcars, die zijn uitgerust met een dieselmotor die voldoet aan de eisen voor het jaar 2005, zoals vastgelegd in rij B1 van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn;
n. vrachtauto's, speciale voertuigen, touringcars of stads- en streekbussen, die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor: 1º. die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn, en
2º. die per kilometer ten minste 15% minder CO2 uitstoten dan vergelijkbare voertuigen;
1º. die voldoet aan de eisen voor het jaar 2000, zoals vastgelegd in rij A van punt 6.2.1. van bijlage I van de in onderdeel g genoemde richtlijn, en
2º. die per kilometer ten minste 15% minder CO2 uitstoten dan vergelijkbare voertuigen;
o. vaartuigen met een of meerdere dieselmotoren met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW, bestemd voor de voortstuwing van het vaartuig en die zijn voorzien van een systeem waarmee het gehalte stikstofoxiden in de uitlaatgassen, gecorrigeerd met het zuurstofgehalte onder praktijkomstandigheden met ten minste 75% wordt verminderd in vergelijking met eenzelfde motor zonder dat systeem onder dezelfde omstandigheden;
p. vaartuigen met een of meerdere dieselmotoren met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW, bestemd voor de voortstuwing van het vaartuig en die zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat zij 30% minder CO2 uitstoten dan vergelijkbare vaartuigen onder dezelfde omstandigheden die op traditionele wijze zijn ontworpen en gebouwd;
q. vaartuigen met een of meerdere aardgasmotoren met een gezamenlijk asvermogen van 100 kW tot 3000 kW, bestemd voor de voortstuwing van het vaartuig;
r. vaartuigen met een of meerdere dieselelektrische aandrijvingen met een gezamenlijk asvermogen van 500 kW tot 3000 kW, bestemd voor de voortstuwing van het vaartuig, of
s. elektrische bromfietsen, indien de elektrische bromfietsen in dit project dienen ter vervanging van door verbrandingsmotoren aangedreven wegvoertuigen.
4. Een wijziging van de richtlijn nr. 70/220/EEGvan de Raad de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking (PbEG L76) gaat voor de toepassing van het derde lid, onderdeel c, onder 2°, gelden met ingang van de dag waarop de betrokken wijzigingsrichtlijn in werking is getreden.
5. Een wijziging van de richtlijn nr. 88/77/EEGvan de Raad de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten met betrekking tot de tegen de emissie van verontreinigende gassen door voertuigmotoren met compressieontsteking (PbEG L36) gaat voor de toepassing van het derde lid, onderdelen g, h onder 2°, i onder 1°, j onder 1°, l, m en n, onder 1°, gelden met ingang van de dag waarop de betrokken wijzigingsrichtlijn in werking is getreden.
6. Een project komt voorts slechts voor subsidie in aanmerking indien:
a. de een preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft in welk kader eerste prototypen in de praktijk beproefd worden en waarvan de subsidiabele kosten hoger zijn dan f 200.000,-;
b. het een demonstratieproject betreft waarvan de subsidiabele kosten hoger zijn dan f 250.000,-;
c. het een marktintroductieproject betreft waarvan de subsidiabele kosten hoger zijn dan f 1.000.000,-;
d. het een toepassingsproject betreft waarbij gebruik wordt gemaakt van ten minste 25 personen- of bestelauto's met een hybride of elektrisch aandrijfsysteem;
e. het een toepassingsproject betreft waarbij gebruik wordt gemaakt van ten minste 10 vrachtauto's, speciale voertuigen, touringcars of stads- of streekbussen, als bedoeld in het derde lid, of
f. het een kennisoverdrachtsproject betreft met betrekking tot de overdracht van kennis die is opgedaan in projecten met mobiele bronnen waarvoor een bijdrage is toegekend op grond van de regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 maart 1998, nr. DGM/SP 98022985, houdende vaststelling voor 1998 van programma's en subsidieplafonds op grond van het Subsidiebesluit milieugerichte technologie, de Regeling milieugerichte technologie 1999, of de onderhavige regeling, voor zover die kennisoverdracht niet reeds deel uitmaakte van die projecten., en waarvan de subsidiabele kosten hoger zijn dan f 50.000,-.
7. Bij de beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening worden naast de in artikel 2, tweede lid, bedoelde aspecten betrokken:
a. de kosteneffectiviteit op lange termijn van de technische vernieuwing;
b. de mate waarin het project het gebruik van milieu-innovatieve mobiele bronnen of technieken onder marktconforme omstandigheden bevordert.
8. In afwijking van artikel 3 kan de berekening van het uurloon en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de subsidieaanvrager geldende en controleerbare methodiek.
9. Kosten die zijn gemaakt voor de datum van indiening van de aanvraag tot subsidieverlening, kunnen tot de subsidiabele kosten worden gerekend, indien zij zijn gemaakt op of na de datum van inwerkingtreding van deze regeling.
10. Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2001 bedraagt f 10.000.000,-.
11. Bij de subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen met dien verstande dat, wanneer de subsidieaanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.
12. Indien het een project betreft dat betrekking heeft op wegvoertuigen, draagt de subsidieontvanger er voor zorg dat de wegvoertuigen uiterlijk 16 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, in gebruik worden genomen, dan wel - ingeval het project de vervanging van meer dan de helft van een wagenpark of meer dan 25 wegvoertuigen betreft - de eerste helft van de wegvoertuigen waarop het project betrekking heeft, uiterlijk 16 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, in gebruik wordt genomen en de tweede helft van de wegvoertuigen waarop het project betrekking heeft, uiterlijk binnen 24 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, in gebruik wordt genomen.
13. Een aanvraag tot subsidieverlening kan worden ingediend door niet tot de rijksoverheid behorende aanbieders of gebruikers van mobiele bronnen of technieken, bestemd voor de toepassing op mobiele bronnen. Kennisoverdrachtsprojecten kunnen tevens worden ingediend door bedrijven en instellingen die zich beroepsmatig met het overdragen van kennis bezighouden.
14. Aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling worden ingediend bij de Nederlandse onderneming voor energie en milieu B.V., met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier. Aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend voor 15 november 2001.