BWBR0011926
Geldig vanaf 2003-06-01
Artikel 6
Regeling nationale vervoerbewijzen openbaar vervoer
1. De Minister kan ambtshalve of op verzoek van een concessieverlener vaststellen dat door hem aangewezen nationale vervoerbewijzen niet geldig zijn voor een gebied waarbinnen openbaar vervoer per bus wordt verricht dat:
a. een gemiddelde rijsnelheid heeft van tenminste 30 kilometer per uur binnen de bebouwde kom en tenminste 60 kilometer per uur buiten de bebouwde kom;
b. een reductie in reistijd kent van ten minste 20% voor ten minste 50% van de reizigers, ten opzichte van een vergelijkbare verbinding van het onderliggend buslijnennet.
2. De nationale vervoerbewijzen, genoemd in artikel 2, zijn, met uitzondering van het OV-studentenreisrecht en een combinatie-netabonnement met de geldigheidsduur van een jaar, niet geldig voor openbaar vervoer per auto met instemming van de concessieverlener binnen een beperkt gebied met behulp van vrijwilligers, voor zover het dat gebied betreft.
3. De Minister kan ambtshalve of op verzoek van een concessieverlener vaststellen dat het OV-studentenreisrecht en het combinatie-netabonnement, bedoeld in het tweede lid, niet geldig zijn voor een gebied waarbinnen openbaar vervoer per auto als bedoeld in het tweede lid wordt verricht.
4. De Minister kan ambtshalve of op verzoek van een concessieverlener vaststellen dat door hem aangewezen nationale vervoerbewijzen niet geldig zijn voor een gebied waarbinnen het elektronisch vervoerbewijs in de plaats van de door hem aangewezen nationale vervoerbewijzen functioneert.
5. Gebieden als bedoeld in het eerste, derde en vierde lid worden aangewezen overeenkomstig bijlage 3bij deze regeling.
a. een gemiddelde rijsnelheid heeft van tenminste 30 kilometer per uur binnen de bebouwde kom en tenminste 60 kilometer per uur buiten de bebouwde kom;
b. een reductie in reistijd kent van ten minste 20% voor ten minste 50% van de reizigers, ten opzichte van een vergelijkbare verbinding van het onderliggend buslijnennet.
2. De nationale vervoerbewijzen, genoemd in artikel 2, zijn, met uitzondering van het OV-studentenreisrecht en een combinatie-netabonnement met de geldigheidsduur van een jaar, niet geldig voor openbaar vervoer per auto met instemming van de concessieverlener binnen een beperkt gebied met behulp van vrijwilligers, voor zover het dat gebied betreft.
3. De Minister kan ambtshalve of op verzoek van een concessieverlener vaststellen dat het OV-studentenreisrecht en het combinatie-netabonnement, bedoeld in het tweede lid, niet geldig zijn voor een gebied waarbinnen openbaar vervoer per auto als bedoeld in het tweede lid wordt verricht.
4. De Minister kan ambtshalve of op verzoek van een concessieverlener vaststellen dat door hem aangewezen nationale vervoerbewijzen niet geldig zijn voor een gebied waarbinnen het elektronisch vervoerbewijs in de plaats van de door hem aangewezen nationale vervoerbewijzen functioneert.
5. Gebieden als bedoeld in het eerste, derde en vierde lid worden aangewezen overeenkomstig bijlage 3bij deze regeling.