BWBR0011222
Geldig vanaf 2000-04-01
Artikel 3
Uitvoeringsbesluit Remigratiewet
1. De remigrant die niet tevens een andere dan de Nederlandse nationaliteit bezit, dient voor de vertrekdatum een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de wetaf te leggen. Deze verklaring dient deze remigrant over te leggen aan de SVB.
2. De remigrant, bedoeld in het eerste lid, dient zo spoedig mogelijk bij de autoriteiten van het bestemmingsland een verzoek in ter verkrijging van de nationaliteit van dat land.
3. Schriftelijke bewijsstukken van zijn verzoek, bedoeld in het tweede lid, zendt de remigrant, bedoeld in het eerste lid, onverwijld aan de SVB.
4. De remigrant, bedoeld in het eerste lid, informeert de SVB eenmaal per jaar over de voortgang van de behandeling van zijn verzoek ter verkrijging van de nationaliteit van het bestemmingsland, tenzij de SVB anders bepaalt.
5. Zodra de remigrant, bedoeld in het eerste lid, de nationaliteit van het bestemmingsland heeft verkregen, zendt hij bewijsstukken daarvan onverwijld aan de SVB.
2. De remigrant, bedoeld in het eerste lid, dient zo spoedig mogelijk bij de autoriteiten van het bestemmingsland een verzoek in ter verkrijging van de nationaliteit van dat land.
3. Schriftelijke bewijsstukken van zijn verzoek, bedoeld in het tweede lid, zendt de remigrant, bedoeld in het eerste lid, onverwijld aan de SVB.
4. De remigrant, bedoeld in het eerste lid, informeert de SVB eenmaal per jaar over de voortgang van de behandeling van zijn verzoek ter verkrijging van de nationaliteit van het bestemmingsland, tenzij de SVB anders bepaalt.
5. Zodra de remigrant, bedoeld in het eerste lid, de nationaliteit van het bestemmingsland heeft verkregen, zendt hij bewijsstukken daarvan onverwijld aan de SVB.