BWBR0011222
Geldig vanaf 2000-04-01
Artikel 12
Uitvoeringsbesluit Remigratiewet
1. Het recht op de remigratievoorzieningen van de remigrant eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de remigrant zijn hoofdverblijf wederom in Nederland vestigt.
2. Het recht van de partner op de voorzieningen, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van de weteindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de partner zijn hoofdverblijf in Nederland vestigt.
3. Het recht van het kind op de voorzieningen, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de weteindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin het kind zijn hoofdverblijf in Nederland vestigt.
4. Indien de remigrant, zijn partner of een van hun kinderen van de terugkeerregeling gebruik heeft gemaakt, worden de basisvoorzieningen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, b en d, van de wet, teruggevorderd, voorzover deze voorzieningen ten behoeve van de teruggekeerde personen zijn toegekend.
5. Indien de remigrant, zijn partner of een van hun kinderen binnen drie jaren na remigratie, anders dan op grond van de terugkeerregeling zijn hoofdverblijf wederom in Nederland vestigt, worden de basisvoorzieningen teruggevorderd, voorzover deze voorzieningen ten behoeve van de teruggekeerde personen zijn toegekend.
2. Het recht van de partner op de voorzieningen, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van de weteindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de partner zijn hoofdverblijf in Nederland vestigt.
3. Het recht van het kind op de voorzieningen, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de weteindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin het kind zijn hoofdverblijf in Nederland vestigt.
4. Indien de remigrant, zijn partner of een van hun kinderen van de terugkeerregeling gebruik heeft gemaakt, worden de basisvoorzieningen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, b en d, van de wet, teruggevorderd, voorzover deze voorzieningen ten behoeve van de teruggekeerde personen zijn toegekend.
5. Indien de remigrant, zijn partner of een van hun kinderen binnen drie jaren na remigratie, anders dan op grond van de terugkeerregeling zijn hoofdverblijf wederom in Nederland vestigt, worden de basisvoorzieningen teruggevorderd, voorzover deze voorzieningen ten behoeve van de teruggekeerde personen zijn toegekend.