BWBR0011222
Geldig vanaf 2000-04-01
Artikel 10
Uitvoeringsbesluit Remigratiewet
1. Om voor de terugkeerregeling in aanmerking te komen dient de remigrant en zijn partner:
a. niet eerder gebruik te hebben gemaakt van de terugkeerregeling;
b. onmiddellijk voorafgaand aan de vertrekdatum als Nederlander in Nederland te hebben verbleven dan wel tenminste drie jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland te hebben gehad als bedoeld in artikel 8, onder a, b, d, e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000, anders dan voor een verblijf voor een tijdelijk doel;
c. geen gevaar op te leveren voor de openbare orde.
2. Onze Minister van Justitie stelt nadere regels over de wedertoelating van de remigrant, zijn partner en hun kinderen met betrekking tot de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14en 20 van de Vreemdelingenwet 2000, indien deze personen van de terugkeerregeling gebruik maken.
3. Het kind dat binnen één jaar, nadat de remigrant is geremigreerd, meerderjarig is geworden, kan naar Nederland terugkeren op grond van de terugkeerregeling.
a. niet eerder gebruik te hebben gemaakt van de terugkeerregeling;
b. onmiddellijk voorafgaand aan de vertrekdatum als Nederlander in Nederland te hebben verbleven dan wel tenminste drie jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland te hebben gehad als bedoeld in artikel 8, onder a, b, d, e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000, anders dan voor een verblijf voor een tijdelijk doel;
c. geen gevaar op te leveren voor de openbare orde.
2. Onze Minister van Justitie stelt nadere regels over de wedertoelating van de remigrant, zijn partner en hun kinderen met betrekking tot de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14en 20 van de Vreemdelingenwet 2000, indien deze personen van de terugkeerregeling gebruik maken.
3. Het kind dat binnen één jaar, nadat de remigrant is geremigreerd, meerderjarig is geworden, kan naar Nederland terugkeren op grond van de terugkeerregeling.