BWBR0010200
Geldig vanaf 2002-03-01
Artikel 26
Honden- en kattenbesluit 1999
1. Binnen 8 weken nadat aanmelding van de inrichting overeenkomstig dit besluit heeft plaatsgevonden, wordt door of namens degene die op de inrichting verantwoordelijk is voor de in artikel 2, eerste lid, genoemde activiteiten een register bijgehouden waarin de inentingsbewijzen van de in de inrichting aanwezige honden of katten, het aanmeldingsbewijs, bedoeld in artikel 5, derde lid, en een kopie van het bewijs van vakbekwaamheid van de beheerder van de inrichting worden opgenomen.
2. Vanaf het tijdstip dat een hond of kat niet meer in de inrichting aanwezig is omdat de hond of kat is verkocht, afgeleverd, overleden of aan de eigenaar is teruggeven, wordt gedurende drie jaar na dat tijdstip een kopie van het inentingsbewijs van desbetreffende hond of kat in een afgescheiden onderdeel van het in het eerste lid bedoelde register bewaard.
2. Vanaf het tijdstip dat een hond of kat niet meer in de inrichting aanwezig is omdat de hond of kat is verkocht, afgeleverd, overleden of aan de eigenaar is teruggeven, wordt gedurende drie jaar na dat tijdstip een kopie van het inentingsbewijs van desbetreffende hond of kat in een afgescheiden onderdeel van het in het eerste lid bedoelde register bewaard.