BWBR0010200
Geldig vanaf 2002-03-01
Artikel 21
Honden- en kattenbesluit 1999
1. Binnen 5 werkdagen na ontvangst van een hond of kat in een bedrijfsinrichting of asiel wordt, voorzover dat nog niet is geschied, de hond ingeënt tegen parvovirusinfectie en hondenziekte (ziekte van Carré) en de kat tegen kattenziekte (infectieuze gastro-enteritis) en niesziekte.
2. Binnen zeven weken na de geboorte van een hond of kat in een bedrijfsinrichting of asiel, doch in ieder geval 7 dagen vóór aflevering, wordt een hond of kat ingeënt tegen de in het eerste lid genoemde ziekten.
3. In een asiel wordt een hond of kat waarvan het aannemelijk is dat deze niet tegen één of meerdere van de in het eerste lid genoemde ziekten is ingeënt, onmiddellijk na ontvangst in de quarantaineruimte geplaatst tot tenminste zeven dagen nadat de in het eerste lid bedoelde inentingen of ontbrekende inentingen hebben plaatsgevonden. De hond of kat mag het asiel gedurende die periode niet verlaten tenzij het de teruggave aan de eigenaar betreft.
4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op honden of katten die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit in een bedrijfsinrichting of asiel worden gehouden en niet tegen één of meerdere van de in dat lid genoemde ziekten zijn ingeënt.
5. Een door een dierenarts opgemaakt en afgegeven schriftelijk bewijs van inenting dat betrekking heeft op de inentingen die overeenkomstig het eerste of tweede lid zijn aangebracht en waarop diens naam en praktijkadres en de inentingsdatum staan vermeld, wordt gedurende de periode dat desbetreffende hond of kat in de bedrijfsinrichting of in het asiel verblijft in de inrichting bewaard; op dit bewijs worden tevens het registratienummer van de inrichting en het identificatienummer van de hond of kat vermeld.
6. Met het in het vijfde lid bedoelde bewijs van inenting wordt gelijkgesteld een dierenpaspoort dat ingevolge het Honden- en Kattenbesluit 1981 voor desbetreffende hond of kat is afgegeven en dat is aangevuld met de gegevens die ingevolge dat lid op het bewijs van inenting moeten worden vermeld, voorzover die gegevens geen deel uitmaken van het dierenpaspoort.
2. Binnen zeven weken na de geboorte van een hond of kat in een bedrijfsinrichting of asiel, doch in ieder geval 7 dagen vóór aflevering, wordt een hond of kat ingeënt tegen de in het eerste lid genoemde ziekten.
3. In een asiel wordt een hond of kat waarvan het aannemelijk is dat deze niet tegen één of meerdere van de in het eerste lid genoemde ziekten is ingeënt, onmiddellijk na ontvangst in de quarantaineruimte geplaatst tot tenminste zeven dagen nadat de in het eerste lid bedoelde inentingen of ontbrekende inentingen hebben plaatsgevonden. De hond of kat mag het asiel gedurende die periode niet verlaten tenzij het de teruggave aan de eigenaar betreft.
4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op honden of katten die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit in een bedrijfsinrichting of asiel worden gehouden en niet tegen één of meerdere van de in dat lid genoemde ziekten zijn ingeënt.
5. Een door een dierenarts opgemaakt en afgegeven schriftelijk bewijs van inenting dat betrekking heeft op de inentingen die overeenkomstig het eerste of tweede lid zijn aangebracht en waarop diens naam en praktijkadres en de inentingsdatum staan vermeld, wordt gedurende de periode dat desbetreffende hond of kat in de bedrijfsinrichting of in het asiel verblijft in de inrichting bewaard; op dit bewijs worden tevens het registratienummer van de inrichting en het identificatienummer van de hond of kat vermeld.
6. Met het in het vijfde lid bedoelde bewijs van inenting wordt gelijkgesteld een dierenpaspoort dat ingevolge het Honden- en Kattenbesluit 1981 voor desbetreffende hond of kat is afgegeven en dat is aangevuld met de gegevens die ingevolge dat lid op het bewijs van inenting moeten worden vermeld, voorzover die gegevens geen deel uitmaken van het dierenpaspoort.