BWBR0010160
Geldig vanaf 1998-12-30
Artikel 12
Algemeen luchthavenreglement
1. Voordat vliegtuigmotoren in werking worden gesteld:
a. bevinden personen, voertuigen en ander materieel voor zover niet noodzakelijk bij de startprocedure van de vliegtuigmotor, zich op veilige afstand van het vliegtuig;
b. worden stoffen die gevaar of schade kunnen opleveren opgeruimd, dan wel uit de onmiddellijke omgeving van het vliegtuig verwijderd.
2. Met inachtneming van het eerste lid is tijdens het in werking stellen en houden van vliegtuigmotoren tevens:
a. in de stuurhut van het vliegtuig een ter zake bevoegd persoon aanwezig, die de controle heeft over de bedieningsorganen en de remmen;
b. ervoor zorggedragen dat door de vliegtuigmotoren geen schade wordt veroorzaakt aan zaken en dat de veiligheid van personen niet in gevaar wordt gebracht.
3. Onverminderd het tweede lid geschiedt het in werking stellen van een vliegtuigmotor door middel van het met handkracht bewegen van de luchtschroef door personen die terzake geïnstrueerd zijn.
4. Het is verboden de vliegtuigmotor in werking te stellen of te hebben met een hoger dan het stationaire toerental indien het vliegtuig op een platform stilstaat.
5. Het vierde lid geldt niet indien in het desbetreffende vlieghandboek een hoger toerental is voorgeschreven voor afkoeling van de vliegtuigmotor na de vlucht, dan wel opwarmen van de vliegtuigmotor voor de vlucht.
a. bevinden personen, voertuigen en ander materieel voor zover niet noodzakelijk bij de startprocedure van de vliegtuigmotor, zich op veilige afstand van het vliegtuig;
b. worden stoffen die gevaar of schade kunnen opleveren opgeruimd, dan wel uit de onmiddellijke omgeving van het vliegtuig verwijderd.
2. Met inachtneming van het eerste lid is tijdens het in werking stellen en houden van vliegtuigmotoren tevens:
a. in de stuurhut van het vliegtuig een ter zake bevoegd persoon aanwezig, die de controle heeft over de bedieningsorganen en de remmen;
b. ervoor zorggedragen dat door de vliegtuigmotoren geen schade wordt veroorzaakt aan zaken en dat de veiligheid van personen niet in gevaar wordt gebracht.
3. Onverminderd het tweede lid geschiedt het in werking stellen van een vliegtuigmotor door middel van het met handkracht bewegen van de luchtschroef door personen die terzake geïnstrueerd zijn.
4. Het is verboden de vliegtuigmotor in werking te stellen of te hebben met een hoger dan het stationaire toerental indien het vliegtuig op een platform stilstaat.
5. Het vierde lid geldt niet indien in het desbetreffende vlieghandboek een hoger toerental is voorgeschreven voor afkoeling van de vliegtuigmotor na de vlucht, dan wel opwarmen van de vliegtuigmotor voor de vlucht.