BWBR0010160
Geldig vanaf 1998-12-30
Artikel 10
Algemeen luchthavenreglement
1. Voor zover op het luchtvaartterrein een platformverkeersdienst is ingesteld, is deze uitgerust met radiotelefonie communicatie-apparatuur voor verbinding met de luchtverkeersleiding.
2. De Minister kan per luchtvaartterrein, al dan niet op voordracht van de exploitant, voorschriften vaststellen voor het betreden van en het zich bevinden op het niet voor het publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein, het landingsterrein, het platform en het uitvoeren van werkzaamheden, waarin in ieder geval wordt aangegeven in welke gevallen door de exploitant schriftelijk toestemming is vereist.
3. De Minister kan per luchtvaartterrein, met het oog op het goed functioneren daarvan, voorschriften vaststellen met betrekking tot de grondafhandelingsdiensten op dat luchtvaartterrein.
4. Indien voorschriften worden vastgesteld, als bedoeld in het derde lid, kunnen deze in ieder geval voorschriften bevatten met betrekking tot:
voertuigen in het landingsterrein, op de platformen en de daaraan grenzende wegen;
het uitvoeren van werkzaamheden;
opslag en plaatsing van gereedschappen, materialen, voertuigen en andere roerende zaken;
het voortbewegen, parkeren en stallen van, alsmede het verrichten van reparaties aan luchtvaartuigen;
het proefdraaien van motoren, anders dan voor warmdraaien vóór de start of afkoeling na de vlucht.
2. De Minister kan per luchtvaartterrein, al dan niet op voordracht van de exploitant, voorschriften vaststellen voor het betreden van en het zich bevinden op het niet voor het publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein, het landingsterrein, het platform en het uitvoeren van werkzaamheden, waarin in ieder geval wordt aangegeven in welke gevallen door de exploitant schriftelijk toestemming is vereist.
3. De Minister kan per luchtvaartterrein, met het oog op het goed functioneren daarvan, voorschriften vaststellen met betrekking tot de grondafhandelingsdiensten op dat luchtvaartterrein.
4. Indien voorschriften worden vastgesteld, als bedoeld in het derde lid, kunnen deze in ieder geval voorschriften bevatten met betrekking tot:
voertuigen in het landingsterrein, op de platformen en de daaraan grenzende wegen;
het uitvoeren van werkzaamheden;
opslag en plaatsing van gereedschappen, materialen, voertuigen en andere roerende zaken;
het voortbewegen, parkeren en stallen van, alsmede het verrichten van reparaties aan luchtvaartuigen;
het proefdraaien van motoren, anders dan voor warmdraaien vóór de start of afkoeling na de vlucht.