BWBR0010065
Geldig vanaf 1999-01-26
Artikel 12
Besluit milieusubsidies
1. Verlening van een voorschot op een verleende subsidie geschiedt op aanvraag per tijdvak van drie maanden. Zonodig worden bij de aanvraag, bedoeld in de eerste volzin, de in artikel 11, tweede lid, onderdeel e, bedoelde gegevens verstrekt. De aanvraag behoeft slechts éénmaal te worden ingediend ten behoeve van het gehele tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd.
2. Onverminderd het zesde lid, wordt de hoogte van het voorschot bepaald door het subsidiebedrag te delen door het aantal gehele maanden waaruit het tijdvak bestaat waarvoor de subsidie wordt verleend, en het resulterende bedrag met drie te vermenigvuldigen.
3. In afwijking van het tweede lid wordt, onverminderd het bepaalde in het zesde lid, de hoogte en de spreiding van de voorschotten per tijdvak bepaald aan de hand van de individuele liquiditeitsbehoefte die blijkt uit de ingevolge artikel 11, tweede lid, onderdeel e, bij de aanvraag verstrekte gegevens of uit een raming als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel d, onder 2°. Onze Minister kan zonodig ambtshalve de hoogte en de spreiding van de voorschotten per tijdvak bepalen.
4. Indien uit de rapportage, bedoeld in artikel 13, eerste lid, blijkt dat de gemaakte kosten tenminste 10 procent afwijken van de verleende voorschotten, kunnen de wijze van bevoorschotting en de hoogte van de voorschotten ambtshalve of op aanvraag worden aangepast.
5. De voorschotverlening wordt opgeschort zolang de rapportage, bedoeld in artikel 13, eerste lid, in strijd met dat artikel niet is ontvangen.
6. Voorschotten worden steeds uitbetaald voor 100 procent per tijdvak als bedoeld in het eerste of derde lid, totdat zij tezamen ten hoogste bedragen:
a. 80 procent van de verleende subsidie, ingeval de subsidie-ontvanger een onderneming drijft, en
b. 95 procent van de verleende subsidie, ingeval de subsidie-ontvanger geen onderneming drijft.
7. In het zesde lid wordt verstaan onder onderneming: onderneming als bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0002629" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet op de omzetbelasting 1968</a>.
2. Onverminderd het zesde lid, wordt de hoogte van het voorschot bepaald door het subsidiebedrag te delen door het aantal gehele maanden waaruit het tijdvak bestaat waarvoor de subsidie wordt verleend, en het resulterende bedrag met drie te vermenigvuldigen.
3. In afwijking van het tweede lid wordt, onverminderd het bepaalde in het zesde lid, de hoogte en de spreiding van de voorschotten per tijdvak bepaald aan de hand van de individuele liquiditeitsbehoefte die blijkt uit de ingevolge artikel 11, tweede lid, onderdeel e, bij de aanvraag verstrekte gegevens of uit een raming als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel d, onder 2°. Onze Minister kan zonodig ambtshalve de hoogte en de spreiding van de voorschotten per tijdvak bepalen.
4. Indien uit de rapportage, bedoeld in artikel 13, eerste lid, blijkt dat de gemaakte kosten tenminste 10 procent afwijken van de verleende voorschotten, kunnen de wijze van bevoorschotting en de hoogte van de voorschotten ambtshalve of op aanvraag worden aangepast.
5. De voorschotverlening wordt opgeschort zolang de rapportage, bedoeld in artikel 13, eerste lid, in strijd met dat artikel niet is ontvangen.
6. Voorschotten worden steeds uitbetaald voor 100 procent per tijdvak als bedoeld in het eerste of derde lid, totdat zij tezamen ten hoogste bedragen:
a. 80 procent van de verleende subsidie, ingeval de subsidie-ontvanger een onderneming drijft, en
b. 95 procent van de verleende subsidie, ingeval de subsidie-ontvanger geen onderneming drijft.
7. In het zesde lid wordt verstaan onder onderneming: onderneming als bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0002629" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet op de omzetbelasting 1968</a>.