BWBR0010065
Geldig vanaf 1999-01-26
Artikel 10
Besluit milieusubsidies
De subsidie-ontvanger is verplicht:
a. de activiteit uit te voeren overeenkomstig de omschrijving van die activiteit in de beschikking tot subsidieverlening, tenzij Onze Minister voorafgaand schriftelijk heeft ingestemd met afwijking daarvan;
b. te voldoen aan de verplichtingen die door Onze Minister aan de subsidie zijn verbonden. Daarbij kan Onze Minister slechts verplichtingen opleggen: 1°. als bedoeld in artikel 8, tweede lid, tweede volzin, of
2°. die betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht;
1°. als bedoeld in artikel 8, tweede lid, tweede volzin, of
2°. die betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht;
c. indien hij in verband met de verstrekte subsidie, op zijn beurt subsidie verstrekt aan een derde, de artikelen 2, tweede lid, en 6, tweede lid, toe te passen en daaraan de verplichtingen te verbinden, die zijn bedoeld in artikel 8, tweede lid, tweede volzin, in de onderdelen b, aanhef en onder 2°, en f, alsmede, indien van toepassing, aan Onze Minister een verslag te sturen als bedoeld in artikel 9;
d. een administratie te voeren die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze de subsidiabele kosten kunnen worden afgelezen;
e. onverwijld nadat een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring van hem, dan wel een aangifte of vordering daartoe bij de rechtbank is ingediend, daarvan schriftelijk mededeling te doen aan Onze Minister;
f. op verzoek van de Onze Minister medewerking te verlenen aan openbaarmaking van de gegevens en de resultaten van de activiteit, met uitzondering van vertrouwelijke bedrijfsgegevens;
g. alle gevraagde medewerking te verlenen aan een door Onze Minister terzake van de toepassing en de effecten van dit besluit ingesteld evaluatie-onderzoek, waarbij Onze Minister die medewerking slechts kan verlangen voor zover hij daaraan redelijkerwijs behoefte heeft, en
h. indien de activiteit geheel is uitgevoerd, niet voor een bepaalde tijd is uitgevoerd, niet zal worden uitgevoerd dan wel is stopgezet, daar Onze Minister onmiddellijk van in kennis te stellen.
a. de activiteit uit te voeren overeenkomstig de omschrijving van die activiteit in de beschikking tot subsidieverlening, tenzij Onze Minister voorafgaand schriftelijk heeft ingestemd met afwijking daarvan;
b. te voldoen aan de verplichtingen die door Onze Minister aan de subsidie zijn verbonden. Daarbij kan Onze Minister slechts verplichtingen opleggen: 1°. als bedoeld in artikel 8, tweede lid, tweede volzin, of
2°. die betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht;
1°. als bedoeld in artikel 8, tweede lid, tweede volzin, of
2°. die betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht;
c. indien hij in verband met de verstrekte subsidie, op zijn beurt subsidie verstrekt aan een derde, de artikelen 2, tweede lid, en 6, tweede lid, toe te passen en daaraan de verplichtingen te verbinden, die zijn bedoeld in artikel 8, tweede lid, tweede volzin, in de onderdelen b, aanhef en onder 2°, en f, alsmede, indien van toepassing, aan Onze Minister een verslag te sturen als bedoeld in artikel 9;
d. een administratie te voeren die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze de subsidiabele kosten kunnen worden afgelezen;
e. onverwijld nadat een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring van hem, dan wel een aangifte of vordering daartoe bij de rechtbank is ingediend, daarvan schriftelijk mededeling te doen aan Onze Minister;
f. op verzoek van de Onze Minister medewerking te verlenen aan openbaarmaking van de gegevens en de resultaten van de activiteit, met uitzondering van vertrouwelijke bedrijfsgegevens;
g. alle gevraagde medewerking te verlenen aan een door Onze Minister terzake van de toepassing en de effecten van dit besluit ingesteld evaluatie-onderzoek, waarbij Onze Minister die medewerking slechts kan verlangen voor zover hij daaraan redelijkerwijs behoefte heeft, en
h. indien de activiteit geheel is uitgevoerd, niet voor een bepaalde tijd is uitgevoerd, niet zal worden uitgevoerd dan wel is stopgezet, daar Onze Minister onmiddellijk van in kennis te stellen.