BWBR0009383
Geldig vanaf 1998-03-07
Artikel 8
Regeling grondtekens en markeringen
De markering van verharde rijbanen, bedoeld in artikel 123, eerste lid, onderdeel f, van de Regeling Toezicht Luchtvaart, is in geel uitgevoerd.
Op alle verharde rijbanen die aansluiten op banen met een lengte van meer dan 1200 meter is een hartlijnmarkering aangebracht, en op alle verharde rijbanen die aansluiten op banen met een lengte van minder dan 1200 meter kan een hartlijnmarkering zijn aangebracht. De hartlijnmarkering bestaat uit een ononderbroken streep met een breedte van 15 centimeter als bedoeld in figuur 30.
Nabij een aansluiting van een verharde rijbaan op een precisielandingsbaan is een wachtpositiemarkering aangebracht op de wijze, bedoeld in figuur 30. De juiste lokatie van de wachtpositiemarkering op de verharde rijbaan ten opzichte van een precisielandingsbaan is aangegeven in tabel VI. Indien het een wachtpositiemarkering betreft voor een precisielandingsbaan CAT II of III waarbij het starten in dezelfde richting plaatsvindt als de precisielanding, is deze markering uitgevoerd op de wijze, bedoeld in figuur 30A. Indien de lengte van deze markering ten gevolge van bijzondere omstandigheden bovendien meer dan 60 meter is, is het woord ’CAT II’ of ’CAT III’ aanvullend aangebracht aan beide uiteinden van de markering en voorts daartussenin op onderling gelijke afstanden van maximaal 45 meter. De letters en het cijfer van het woord ’CAT II’ of ’CAT III’ hebben een hoogte van 1,80 meter en zijn aangebracht op een afstand van ten hoogste 0,90 meter, achter de markering. In deze gevallen worden door Onze Minister nadere aanwijzingen ter uitvoering van deze markering gegeven. Op een zo klein mogelijke afstand naast de wachtpositiemarkering voor een precisielandingsbaan CAT I, II of III waarbij het starten in dezelfde richting plaatsvindt als de precisielanding, is aan beide zijden van de verharde rijbaan een wachtpositiebord aangebracht als bedoeld in figuur 31. Indien het starten niet in dezelfde richting plaatsvindt als de precisielanding, is op een zo klein mogelijke afstand naast de wachtpositiemarkering bij voorkeur aan de linkerzijde van de rijbaan een wachtpositiebord aangebracht als bedoeld in figuur 31A. Er is voldoende afstand tussen de lokatie van de borden en de mogelijke positie van propellers of vliegtuigmotoren. Bij gebruik gedurende de nacht of bij slecht-zichtomstandigheden zijn de borden intern of extern verlicht. De borden zijn van een zodanige constructie dat deze bij een aanvaring zo min mogelijk schade aan het vliegtuig toebrengen. De kleur van de borden is rood en van het opschrift wit. De hartlijnmarkering van een verharde rijbaan is doorgetrokken naar het midden van een verharde baan op de wijze, bedoeld in figuur 32.
Nabij de aansluiting van een verharde rijbaan op een verharde baan, niet zijnde een precisielandingsbaan, wordt een markering aangebracht als bedoeld in figuur 30.
Nabij een kruising van twee verharde rijbanen kan een rijbaanwachtpositiemarkering worden toegepast ten behoeve van het verkrijgen van voldoende afstand tussen twee kruisende luchtvaartuigen, op de wijze, bedoeld in figuur 33.
Indien bij bochten in een verharde rijbaan een verbreding, een zogenaamde fillet, is aangebracht aan de binnenzijde van de bocht, wordt deze verbreding geacht niet te behoren tot de verharde rijbaan en loopt de hartlijnmarkering door op een halve rijbaanbreedte afstand van de buitenbocht.
Indien weersomstandigheden kunnen worden verwacht ten gevolge waarvan de aangebrachte markering niet goed zichtbaar zal zijn, moeten zogenaamde sneeuwpaaltjes of cilinders duidelijk zichtbaar langs de in gebruik zijnde rijbaangedeelten zijn geplaatst, te weten ter weerszijden van de rijbaan langs de rijbaanrand om de 50 meter of in geval van een bocht in de rijbaan zoveel als nodig zijn om deze bocht duidelijk te markeren. Deze sneeuwpaaltjes of cilinders hebben een hoogte van 50 centimeter, zijn bij voorkeur fluorescerend oranje of rood gekleurd en voorts zodanig van constructie dat deze bij een aanvaring zo min mogelijk schade aan het vliegtuig toebrengen.
Op een verharde rijbaan die niet is voorzien van rand- of hartlijnlichten en die wordt gebruikt gedurende de nacht, worden, indien dit door Onze Minister noodzakelijk wordt geacht, retroreflecterende paaltjes aangebracht. De paaltjes hebben afmetingen, vorm en kleuren als bedoeld in figuur 34. De paaltjes worden aan weerszijden langs de rand van een rijbaan geplaatst of daarbuiten op een afstand van ten hoogste drie meter vanaf de rand. De afstand tussen de paaltjes op een recht stuk rijbaan bedraagt ten hoogste 60 meter. In een bocht van een rijbaan worden zoveel paaltjes geplaatst als nodig om deze bocht duidelijk te markeren.
Op alle verharde rijbanen die aansluiten op banen met een lengte van meer dan 1200 meter is een hartlijnmarkering aangebracht, en op alle verharde rijbanen die aansluiten op banen met een lengte van minder dan 1200 meter kan een hartlijnmarkering zijn aangebracht. De hartlijnmarkering bestaat uit een ononderbroken streep met een breedte van 15 centimeter als bedoeld in figuur 30.
Nabij een aansluiting van een verharde rijbaan op een precisielandingsbaan is een wachtpositiemarkering aangebracht op de wijze, bedoeld in figuur 30. De juiste lokatie van de wachtpositiemarkering op de verharde rijbaan ten opzichte van een precisielandingsbaan is aangegeven in tabel VI. Indien het een wachtpositiemarkering betreft voor een precisielandingsbaan CAT II of III waarbij het starten in dezelfde richting plaatsvindt als de precisielanding, is deze markering uitgevoerd op de wijze, bedoeld in figuur 30A. Indien de lengte van deze markering ten gevolge van bijzondere omstandigheden bovendien meer dan 60 meter is, is het woord ’CAT II’ of ’CAT III’ aanvullend aangebracht aan beide uiteinden van de markering en voorts daartussenin op onderling gelijke afstanden van maximaal 45 meter. De letters en het cijfer van het woord ’CAT II’ of ’CAT III’ hebben een hoogte van 1,80 meter en zijn aangebracht op een afstand van ten hoogste 0,90 meter, achter de markering. In deze gevallen worden door Onze Minister nadere aanwijzingen ter uitvoering van deze markering gegeven. Op een zo klein mogelijke afstand naast de wachtpositiemarkering voor een precisielandingsbaan CAT I, II of III waarbij het starten in dezelfde richting plaatsvindt als de precisielanding, is aan beide zijden van de verharde rijbaan een wachtpositiebord aangebracht als bedoeld in figuur 31. Indien het starten niet in dezelfde richting plaatsvindt als de precisielanding, is op een zo klein mogelijke afstand naast de wachtpositiemarkering bij voorkeur aan de linkerzijde van de rijbaan een wachtpositiebord aangebracht als bedoeld in figuur 31A. Er is voldoende afstand tussen de lokatie van de borden en de mogelijke positie van propellers of vliegtuigmotoren. Bij gebruik gedurende de nacht of bij slecht-zichtomstandigheden zijn de borden intern of extern verlicht. De borden zijn van een zodanige constructie dat deze bij een aanvaring zo min mogelijk schade aan het vliegtuig toebrengen. De kleur van de borden is rood en van het opschrift wit. De hartlijnmarkering van een verharde rijbaan is doorgetrokken naar het midden van een verharde baan op de wijze, bedoeld in figuur 32.
Nabij de aansluiting van een verharde rijbaan op een verharde baan, niet zijnde een precisielandingsbaan, wordt een markering aangebracht als bedoeld in figuur 30.
Nabij een kruising van twee verharde rijbanen kan een rijbaanwachtpositiemarkering worden toegepast ten behoeve van het verkrijgen van voldoende afstand tussen twee kruisende luchtvaartuigen, op de wijze, bedoeld in figuur 33.
Indien bij bochten in een verharde rijbaan een verbreding, een zogenaamde fillet, is aangebracht aan de binnenzijde van de bocht, wordt deze verbreding geacht niet te behoren tot de verharde rijbaan en loopt de hartlijnmarkering door op een halve rijbaanbreedte afstand van de buitenbocht.
Indien weersomstandigheden kunnen worden verwacht ten gevolge waarvan de aangebrachte markering niet goed zichtbaar zal zijn, moeten zogenaamde sneeuwpaaltjes of cilinders duidelijk zichtbaar langs de in gebruik zijnde rijbaangedeelten zijn geplaatst, te weten ter weerszijden van de rijbaan langs de rijbaanrand om de 50 meter of in geval van een bocht in de rijbaan zoveel als nodig zijn om deze bocht duidelijk te markeren. Deze sneeuwpaaltjes of cilinders hebben een hoogte van 50 centimeter, zijn bij voorkeur fluorescerend oranje of rood gekleurd en voorts zodanig van constructie dat deze bij een aanvaring zo min mogelijk schade aan het vliegtuig toebrengen.
Op een verharde rijbaan die niet is voorzien van rand- of hartlijnlichten en die wordt gebruikt gedurende de nacht, worden, indien dit door Onze Minister noodzakelijk wordt geacht, retroreflecterende paaltjes aangebracht. De paaltjes hebben afmetingen, vorm en kleuren als bedoeld in figuur 34. De paaltjes worden aan weerszijden langs de rand van een rijbaan geplaatst of daarbuiten op een afstand van ten hoogste drie meter vanaf de rand. De afstand tussen de paaltjes op een recht stuk rijbaan bedraagt ten hoogste 60 meter. In een bocht van een rijbaan worden zoveel paaltjes geplaatst als nodig om deze bocht duidelijk te markeren.