BWBR0009383
Geldig vanaf 1998-03-07
Artikel 4
Regeling grondtekens en markeringen
De merkbakens, bedoeld in artikel 123, eerste lid, onderdeel d, van de Regeling Toezicht Luchtvaart, hebben afmetingen, vorm en kleuren als bedoeld in figuur 14. De merkbakens zijn zodanig geconstrueerd dat deze bij een aanvaring zo min mogelijk schade aan het vliegtuig toebrengen.
a. De grens van een landingsterrein zonder verharde banen, niet uitsluitend bestemd voor het opstijgen en landen van hefschroefvliegtuigen, is aangeduid door merkbakens als bedoeld in artikel 4.1, welke op een onderlinge afstand van ten hoogste 200 meter zijn geplaatst, op de wijze, bedoeld in figuur 15. In iedere hoek zijn twee merkbakens geplaatst. Indien het overblijvende deel 50 meter of minder is, vervalt het betreffende merkbaken.
b. Indien op een luchtvaartterrein zonder verharde banen, niet uitsluitend bestemd voor hefschroefvliegtuigen, slechts in of nagenoeg in de lengterichting van het luchtvaartterrein kan worden geland en opgestegen, kunnen de merkbakens, bedoeld in artikel 4.1, worden geplaatst op de wijze, bedoeld in figuur 16.
De grens van een landingsterrein, uitsluitend bestemd voor hefschroefvliegtuigen, wordt aangeduid door grensmerkbakens of rechthoekige witte strepen met een breedte van een meter en een lengte van een vijfde van de lengte van de desbetreffende zijde van het landingsterrein met een maximum van negen meter. De afstand tussen de grensmerkbakens of strepen bedraagt ten hoogste 50 meter. Op iedere zijde van een landingsterrein zijn, inclusief een grensmerkbaken of streep op iedere hoek, ten minste drie grensmerkbakens of strepen geplaatst, op de wijze, bedoeld in figuur 17. Indien het landingsterrein een andere vorm heeft, is dit terrein aangeduid door grensmerkbakens of strepen, geplaatst met tussenafstanden van ten hoogste 10 meter met een minimum van vijf grensmerkbakens of strepen. De grensmerkbakens zijn uitgevoerd op de wijze, bedoeld in figuur 14, echter met een hoogte van 0,25 meter.
Indien op een luchtvaartterrein met één of meer verharde banen eveneens een terrein buiten deze banen ter beschikking is voor het landen en opstijgen, is de grens van dit laatste terrein aangeduid door merkbakens als bedoeld in artikel 4.1., behalve daar waar dit terrein grenst aan deze verharde banen, rijbanen of parkeergedeelten. Bij het plaatsen van merkbakens wordt het gestelde in artikel 4.2, onderdeel a, aangehouden.
Indien op een luchtvaartterrein gelijktijdig wordt gevlogen met motorvliegtuigen en zweefvliegtuigen op naast elkaar gelegen gedeelten van het landingsterrein, is de scheidingslijn tussen beide gedeelten van het landingsterrein aangeduid door middel van gele, afgeknotte kegels onderscheidenlijk emmers op onderlinge afstanden van 50 meter.
De grens van een landingsterrein, uitsluitend bestemd voor het opstijgen en landen van ultra lichte vliegtuigen, is aangeduid met merkbakens als bedoeld in artikel 4.1, op een onderlinge afstand van ten hoogste 200 meter. Indien het overblijvende deel 50 meter of minder is, vervalt het betreffende merkbaken. De merkbakens worden geplaatst op de wijze, bedoeld in figuur 15. In iedere hoek zijn twee grensmerkbakens geplaatst.
a. De grens van een landingsterrein zonder verharde banen, niet uitsluitend bestemd voor het opstijgen en landen van hefschroefvliegtuigen, is aangeduid door merkbakens als bedoeld in artikel 4.1, welke op een onderlinge afstand van ten hoogste 200 meter zijn geplaatst, op de wijze, bedoeld in figuur 15. In iedere hoek zijn twee merkbakens geplaatst. Indien het overblijvende deel 50 meter of minder is, vervalt het betreffende merkbaken.
b. Indien op een luchtvaartterrein zonder verharde banen, niet uitsluitend bestemd voor hefschroefvliegtuigen, slechts in of nagenoeg in de lengterichting van het luchtvaartterrein kan worden geland en opgestegen, kunnen de merkbakens, bedoeld in artikel 4.1, worden geplaatst op de wijze, bedoeld in figuur 16.
De grens van een landingsterrein, uitsluitend bestemd voor hefschroefvliegtuigen, wordt aangeduid door grensmerkbakens of rechthoekige witte strepen met een breedte van een meter en een lengte van een vijfde van de lengte van de desbetreffende zijde van het landingsterrein met een maximum van negen meter. De afstand tussen de grensmerkbakens of strepen bedraagt ten hoogste 50 meter. Op iedere zijde van een landingsterrein zijn, inclusief een grensmerkbaken of streep op iedere hoek, ten minste drie grensmerkbakens of strepen geplaatst, op de wijze, bedoeld in figuur 17. Indien het landingsterrein een andere vorm heeft, is dit terrein aangeduid door grensmerkbakens of strepen, geplaatst met tussenafstanden van ten hoogste 10 meter met een minimum van vijf grensmerkbakens of strepen. De grensmerkbakens zijn uitgevoerd op de wijze, bedoeld in figuur 14, echter met een hoogte van 0,25 meter.
Indien op een luchtvaartterrein met één of meer verharde banen eveneens een terrein buiten deze banen ter beschikking is voor het landen en opstijgen, is de grens van dit laatste terrein aangeduid door merkbakens als bedoeld in artikel 4.1., behalve daar waar dit terrein grenst aan deze verharde banen, rijbanen of parkeergedeelten. Bij het plaatsen van merkbakens wordt het gestelde in artikel 4.2, onderdeel a, aangehouden.
Indien op een luchtvaartterrein gelijktijdig wordt gevlogen met motorvliegtuigen en zweefvliegtuigen op naast elkaar gelegen gedeelten van het landingsterrein, is de scheidingslijn tussen beide gedeelten van het landingsterrein aangeduid door middel van gele, afgeknotte kegels onderscheidenlijk emmers op onderlinge afstanden van 50 meter.
De grens van een landingsterrein, uitsluitend bestemd voor het opstijgen en landen van ultra lichte vliegtuigen, is aangeduid met merkbakens als bedoeld in artikel 4.1, op een onderlinge afstand van ten hoogste 200 meter. Indien het overblijvende deel 50 meter of minder is, vervalt het betreffende merkbaken. De merkbakens worden geplaatst op de wijze, bedoeld in figuur 15. In iedere hoek zijn twee grensmerkbakens geplaatst.