BWBR0009383
Geldig vanaf 1998-03-07
Artikel 7
Regeling grondtekens en markeringen
a. De markering van verharde banen inclusief de cijfers en letters, bedoeld in artikel 123, eerste lid, onderdelen e en f, van de Regeling Toezicht Luchtvaart, is in wit uitgevoerd.
b. De markeringen, bedoeld in artikel 7.2, onderdelen a, b, c en d, kunnen worden uitgevoerd door middel van geheel geverfde vlakken of door middel van een serie evenwijdige lijnen van gelijke breedte, die het effect hebben van een geheel geverfd vlak.
a. Cijfers en letters De cijfers en letters op de verharde banen zijn uitgevoerd op de wijze, bedoeld in figuur 24. In het geval van parallelbanen zijn tussen het drempelteken en het baannummer, gezien in de landingsrichting, de letter ’L’ op de linkerbaan, de letter ’R’ op de rechterbaan en, in het geval van drie parallelbanen, de letter ’C’ op de middelste baan geplaatst.
b.1 Landingsdoelpuntmarkering Op banen waarvan de lengte 1800 meter of meer bedraagt, is het landingsdoelpunt gemarkeerd op de wijze, bedoeld in figuur 25. Uiterlijk per 1 januari 2005 wordt deze markering vervangen door de doelpuntmarkering, bedoeld in onderdeel b.2.
b.2 Doelpuntmarkering Uiterlijk vanaf 1 januari 2005 wordt doelpuntmarkering aangebracht aan die zijde van verharde instrumentbanen met een lengte van ten minste 800 meter waarop landingen worden uitgevoerd, en indien noodzakelijk ook op verharde banen, niet zijnde instrumentbanen, met een lengte van ten minste 1200 meter, en verharde instrumentbanen met een lengte van minder dan 800 meter. De markering bestaat uit twee opvallende strepen. De lokatie en afmetingen worden bepaald op de wijze, bedoeld in tabel II. Indien een landingsmatmarkering aanwezig is, is de laterale afstand tussen de markeringen gelijk aan die van de landingsmatmarkering. Indien een PAPI of APAPI aanwezig is, begint de doelpuntmarkering, gezien vanaf het begin van de verharding, ter hoogte van de PAPI of APAPI.
c. Landingsmatmarkering Op precisielandingsbanen is landingsmatmarkering als bedoeld in figuur 25 aangebracht. De markering bestaat uit een aantal blokken die, afhankelijk van de lengte van de baan, paarsgewijs worden aangebracht op de wijze, bedoeld in tabel III.
d. Drempelmarkering Op alle verharde banen, niet zijnde instrumentbanen, met een lengte van ten minste 1200 meter, is drempelmarkering als bedoeld in figuur 25 aangebracht. Het aantal drempelstrepen is zodanig, dat de buitenste drempelstreep binnen drie meter uit de baanrand valt. Het aantal drempelstrepen wordt bepaald door de breedte van de baan op de wijze, bedoeld in tabel IV. De drempelstrepen zijn ten minste 30 meter lang en 1,80 meter breed. Voor banen met een breedte, kleiner dan 45 meter, kan worden volstaan met drempelstrepen met een lengte van 20 meter. De drempelmarkering begint zes meter vanaf de baanverharding. Indien het begin van de baanverharding niet loodrecht staat op de hartlijn van de baan, is zes meter voor de drempelstrepen een streep met een breedte van ten minste 1,80 meter loodrecht hierop aangebracht, op de wijze, bedoeld in figuur 25.
e. Zijstrepen Op elke verharde baan waar onvoldoende contrast bestaat tussen het baanoppervlak en de aangrenzende schouders zijn zijstrepen aangebracht. Op banen met een breedte van 45 meter zijn de zijstrepen ten minste 0,90 meter breed en op banen met een breedte van minder dan 45 meter zijn de zijstrepen ten minste 0,45 meter breed. De zijstrepen zijn langs de rand van de baan aangebracht op zodanige wijze dat, gezien van de hartlijn van de baan, de buitenzijde van de zijstreep ongeveer samenvalt met de rand van de baan.
f. Hartlijnmarkering Op elke verharde baan is hartlijnmarkering als bedoeld in figuur 25 aangebracht. De lengte van een streep plus de tussenafstand is ten minste 50 meter en ten hoogste 75 meter. De strepen hebben de breedte, bedoeld in tabel V.
a. Blijvend verplaatste drempel Indien het begin van de verharding niet samenvalt met het begin van het voor het landen bestemde gedeelte van de baan, is het begin van dit gedeelte gemarkeerd op de wijze, bedoeld in figuur 26. Indien dit gedeelte onveilig is voor het rijden hierover met luchtvaartuigen, is dit gedeelte gemarkeerd met een chevronmarkering als bedoeld in figuur 27.
b. Tijdelijk verplaatste drempel Indien het begin van de verharde baan tijdelijk niet samenvalt met het begin van het voor het landen bestemde gedeelte van die baan, is het begin van dit gedeelte gemarkeerd op de wijze, bedoeld in figuur 28, en is de ter plaatse bestaande markering verwijderd. Indien de drempel voor een zeer korte periode zal worden verplaatst, wordt gehandeld volgens de aanwijzing van Onze Minister. Indien dit gedeelte onveilig is voor het rijden hierover met luchtvaartuigen, is dit gedeelte bovendien aangeduid op de wijze, bedoeld in artikel 6.2.
Op de kruising van twee of meer verharde banen is de markering van de belangrijkste baan niet en de markering van de andere verharde baan wel onderbroken. Indien op de belangrijkste baan zijstrepen zijn aangebracht, zijn deze strepen ter plaatse van de kruising met de andere verharde baan onderbroken. Als volgorde in afnemende belangrijkheid van banen wordt in dit verband aangehouden:
a. precisielandingsbaan CAT III;
b. precisielandingsbaan CAT II;
c. precisielandingsbaan CAT I;
d. instrumentbanen niet zijnde precisielandingsbanen;
e. overige banen. Indien op de verharde baan zijstrepen zijn aangebracht, zijn deze zijstrepen ter plaatse van de kruising met een verharde rijbaan onderbroken.
Indien weersomstandigheden kunnen worden verwacht ten gevolge waarvan de aangebrachte markering niet goed zichtbaar zal zijn, zijn zogenaamde sneeuwborden of sneeuwvlaggen in de kleur oranje of rood duidelijk zichtbaar langs de in gebruik zijnde baan geplaatst, te weten ter weerszijden van de baan, langs de baanrand om de 100 meter of minder en loodrecht op de baanrichting. Deze sneeuwborden of sneeuwvlaggen zijn van een zodanige constructie, dat deze bij een aanvaring zo min mogelijk schade aan het vliegtuig toebrengen. Voorts hebben de borden afmetingen als bedoeld in figuur 29.
b. De markeringen, bedoeld in artikel 7.2, onderdelen a, b, c en d, kunnen worden uitgevoerd door middel van geheel geverfde vlakken of door middel van een serie evenwijdige lijnen van gelijke breedte, die het effect hebben van een geheel geverfd vlak.
a. Cijfers en letters De cijfers en letters op de verharde banen zijn uitgevoerd op de wijze, bedoeld in figuur 24. In het geval van parallelbanen zijn tussen het drempelteken en het baannummer, gezien in de landingsrichting, de letter ’L’ op de linkerbaan, de letter ’R’ op de rechterbaan en, in het geval van drie parallelbanen, de letter ’C’ op de middelste baan geplaatst.
b.1 Landingsdoelpuntmarkering Op banen waarvan de lengte 1800 meter of meer bedraagt, is het landingsdoelpunt gemarkeerd op de wijze, bedoeld in figuur 25. Uiterlijk per 1 januari 2005 wordt deze markering vervangen door de doelpuntmarkering, bedoeld in onderdeel b.2.
b.2 Doelpuntmarkering Uiterlijk vanaf 1 januari 2005 wordt doelpuntmarkering aangebracht aan die zijde van verharde instrumentbanen met een lengte van ten minste 800 meter waarop landingen worden uitgevoerd, en indien noodzakelijk ook op verharde banen, niet zijnde instrumentbanen, met een lengte van ten minste 1200 meter, en verharde instrumentbanen met een lengte van minder dan 800 meter. De markering bestaat uit twee opvallende strepen. De lokatie en afmetingen worden bepaald op de wijze, bedoeld in tabel II. Indien een landingsmatmarkering aanwezig is, is de laterale afstand tussen de markeringen gelijk aan die van de landingsmatmarkering. Indien een PAPI of APAPI aanwezig is, begint de doelpuntmarkering, gezien vanaf het begin van de verharding, ter hoogte van de PAPI of APAPI.
c. Landingsmatmarkering Op precisielandingsbanen is landingsmatmarkering als bedoeld in figuur 25 aangebracht. De markering bestaat uit een aantal blokken die, afhankelijk van de lengte van de baan, paarsgewijs worden aangebracht op de wijze, bedoeld in tabel III.
d. Drempelmarkering Op alle verharde banen, niet zijnde instrumentbanen, met een lengte van ten minste 1200 meter, is drempelmarkering als bedoeld in figuur 25 aangebracht. Het aantal drempelstrepen is zodanig, dat de buitenste drempelstreep binnen drie meter uit de baanrand valt. Het aantal drempelstrepen wordt bepaald door de breedte van de baan op de wijze, bedoeld in tabel IV. De drempelstrepen zijn ten minste 30 meter lang en 1,80 meter breed. Voor banen met een breedte, kleiner dan 45 meter, kan worden volstaan met drempelstrepen met een lengte van 20 meter. De drempelmarkering begint zes meter vanaf de baanverharding. Indien het begin van de baanverharding niet loodrecht staat op de hartlijn van de baan, is zes meter voor de drempelstrepen een streep met een breedte van ten minste 1,80 meter loodrecht hierop aangebracht, op de wijze, bedoeld in figuur 25.
e. Zijstrepen Op elke verharde baan waar onvoldoende contrast bestaat tussen het baanoppervlak en de aangrenzende schouders zijn zijstrepen aangebracht. Op banen met een breedte van 45 meter zijn de zijstrepen ten minste 0,90 meter breed en op banen met een breedte van minder dan 45 meter zijn de zijstrepen ten minste 0,45 meter breed. De zijstrepen zijn langs de rand van de baan aangebracht op zodanige wijze dat, gezien van de hartlijn van de baan, de buitenzijde van de zijstreep ongeveer samenvalt met de rand van de baan.
f. Hartlijnmarkering Op elke verharde baan is hartlijnmarkering als bedoeld in figuur 25 aangebracht. De lengte van een streep plus de tussenafstand is ten minste 50 meter en ten hoogste 75 meter. De strepen hebben de breedte, bedoeld in tabel V.
a. Blijvend verplaatste drempel Indien het begin van de verharding niet samenvalt met het begin van het voor het landen bestemde gedeelte van de baan, is het begin van dit gedeelte gemarkeerd op de wijze, bedoeld in figuur 26. Indien dit gedeelte onveilig is voor het rijden hierover met luchtvaartuigen, is dit gedeelte gemarkeerd met een chevronmarkering als bedoeld in figuur 27.
b. Tijdelijk verplaatste drempel Indien het begin van de verharde baan tijdelijk niet samenvalt met het begin van het voor het landen bestemde gedeelte van die baan, is het begin van dit gedeelte gemarkeerd op de wijze, bedoeld in figuur 28, en is de ter plaatse bestaande markering verwijderd. Indien de drempel voor een zeer korte periode zal worden verplaatst, wordt gehandeld volgens de aanwijzing van Onze Minister. Indien dit gedeelte onveilig is voor het rijden hierover met luchtvaartuigen, is dit gedeelte bovendien aangeduid op de wijze, bedoeld in artikel 6.2.
Op de kruising van twee of meer verharde banen is de markering van de belangrijkste baan niet en de markering van de andere verharde baan wel onderbroken. Indien op de belangrijkste baan zijstrepen zijn aangebracht, zijn deze strepen ter plaatse van de kruising met de andere verharde baan onderbroken. Als volgorde in afnemende belangrijkheid van banen wordt in dit verband aangehouden:
a. precisielandingsbaan CAT III;
b. precisielandingsbaan CAT II;
c. precisielandingsbaan CAT I;
d. instrumentbanen niet zijnde precisielandingsbanen;
e. overige banen. Indien op de verharde baan zijstrepen zijn aangebracht, zijn deze zijstrepen ter plaatse van de kruising met een verharde rijbaan onderbroken.
Indien weersomstandigheden kunnen worden verwacht ten gevolge waarvan de aangebrachte markering niet goed zichtbaar zal zijn, zijn zogenaamde sneeuwborden of sneeuwvlaggen in de kleur oranje of rood duidelijk zichtbaar langs de in gebruik zijnde baan geplaatst, te weten ter weerszijden van de baan, langs de baanrand om de 100 meter of minder en loodrecht op de baanrichting. Deze sneeuwborden of sneeuwvlaggen zijn van een zodanige constructie, dat deze bij een aanvaring zo min mogelijk schade aan het vliegtuig toebrengen. Voorts hebben de borden afmetingen als bedoeld in figuur 29.