BWBR0009355
Geldig vanaf 1998-03-01
Artikel 30
Lozingenbesluit Wvo vaste objecten
1. Indien zich bij werkzaamheden een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan waardoor nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, treft degene die loost onmiddellijk de maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om de gevolgen van het voorval te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.
2. Indien zich een voorval als bedoeld in het eerste lid, voordoet of heeft voorgedaan, maakt degene die loost zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 8 uur, melding van dat voorval aan de beheerder binnen wiens gebied het lozen heeft plaatsgevonden.
3. Bij de in het tweede lid bedoelde melding worden tevens, zodra zij bekend zijn, gegevens verstrekt met betrekking tot:
a. de oorzaak van het voorval en de omstandigheden waaronder het voorval zich heeft voorgedaan;
b. de ten gevolge van het voorval vrijgekomen stoffen, alsmede hun eigenschappen;
c. de gegevens die van belang zijn om de aard en de ernst van de gevolgen van het voorval voor het ontvangende oppervlaktewaterlichaam te kunnen beoordelen;
d. de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de gevolgen van het voorval te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, en
e. de maatregelen die worden overwogen om te voorkomen dat een zodanig voorval zich nogmaals kan voordoen.
4. De beheerder geeft van de in het tweede lid bedoelde melding en de daarbij ingevolge het derde lid verstrekte gegevens onverwijld kennis aan de burgemeesters van de betrokken gemeenten.
5. Indien zich een ongewoon voorval of uitzonderlijke omstandigheid buiten de plaats waar de werkzaamheden worden verricht, voordoet of heeft voorgedaan en de beheerder maatregelen van tijdelijke aard voorschrijft ter voorkoming van ernstige verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam, is degene die loost verplicht deze maatregelen onverwijld te treffen.
2. Indien zich een voorval als bedoeld in het eerste lid, voordoet of heeft voorgedaan, maakt degene die loost zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 8 uur, melding van dat voorval aan de beheerder binnen wiens gebied het lozen heeft plaatsgevonden.
3. Bij de in het tweede lid bedoelde melding worden tevens, zodra zij bekend zijn, gegevens verstrekt met betrekking tot:
a. de oorzaak van het voorval en de omstandigheden waaronder het voorval zich heeft voorgedaan;
b. de ten gevolge van het voorval vrijgekomen stoffen, alsmede hun eigenschappen;
c. de gegevens die van belang zijn om de aard en de ernst van de gevolgen van het voorval voor het ontvangende oppervlaktewaterlichaam te kunnen beoordelen;
d. de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de gevolgen van het voorval te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, en
e. de maatregelen die worden overwogen om te voorkomen dat een zodanig voorval zich nogmaals kan voordoen.
4. De beheerder geeft van de in het tweede lid bedoelde melding en de daarbij ingevolge het derde lid verstrekte gegevens onverwijld kennis aan de burgemeesters van de betrokken gemeenten.
5. Indien zich een ongewoon voorval of uitzonderlijke omstandigheid buiten de plaats waar de werkzaamheden worden verricht, voordoet of heeft voorgedaan en de beheerder maatregelen van tijdelijke aard voorschrijft ter voorkoming van ernstige verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam, is degene die loost verplicht deze maatregelen onverwijld te treffen.