BWBR0009355
Geldig vanaf 1998-03-01
Artikel 16
Lozingenbesluit Wvo vaste objecten
1. Voor de afschermingsklassen I tot en met VI gelden de volgende voorschriften:
a. er is een hulpconstructie voor de gehele duur van de werkzaamheden;
b. de vloer van de hulpconstructie is voorzien van opstaande randen met een hoogte van ten minste 20 cm;
c. de vloer is stofdicht;
d. dagelijks, na beëindiging van de werkzaamheden of zoveel eerder als noodzakelijk is, worden de op de vloer achtergebleven stoffen verzameld en naar een verzamelplaats afgevoerd;
e. smeeroliën en vetten worden verwijderd met behulp van plamuurmessen dan wel met een met ontvetter bevochtigde doek;
f. degene die loost ten behoeve van reinigingswerkzaamheden draagt er zorg voor dat het gehalte aan stoffen in ontvetters zodanig is, dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt, en
g. opslag van straalmiddelen vindt plaats in afgesloten containers.
2. De beheerder kan nadere eisen stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid; daarbij kan slechts worden voorgeschreven:
a. dat het gehalte aan stoffen in ontvetters bij het lozen een bij die nadere eis aangegeven waarde niet mag overschrijden, of
b. dat het gehalte aan stoffen in ontvetters wordt bepaald met een daarbij aan te geven meetfrequentie, meetvoorschrift of analysemethode.
a. er is een hulpconstructie voor de gehele duur van de werkzaamheden;
b. de vloer van de hulpconstructie is voorzien van opstaande randen met een hoogte van ten minste 20 cm;
c. de vloer is stofdicht;
d. dagelijks, na beëindiging van de werkzaamheden of zoveel eerder als noodzakelijk is, worden de op de vloer achtergebleven stoffen verzameld en naar een verzamelplaats afgevoerd;
e. smeeroliën en vetten worden verwijderd met behulp van plamuurmessen dan wel met een met ontvetter bevochtigde doek;
f. degene die loost ten behoeve van reinigingswerkzaamheden draagt er zorg voor dat het gehalte aan stoffen in ontvetters zodanig is, dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt, en
g. opslag van straalmiddelen vindt plaats in afgesloten containers.
2. De beheerder kan nadere eisen stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid; daarbij kan slechts worden voorgeschreven:
a. dat het gehalte aan stoffen in ontvetters bij het lozen een bij die nadere eis aangegeven waarde niet mag overschrijden, of
b. dat het gehalte aan stoffen in ontvetters wordt bepaald met een daarbij aan te geven meetfrequentie, meetvoorschrift of analysemethode.