BWBR0009355
Geldig vanaf 1998-03-01
Artikel 23
Lozingenbesluit Wvo vaste objecten
1. Onverminderd paragraaf 3.1, gelden voor de afschermingsklasse V de volgende voorschriften:
a. een hulpconstructie omsluit de ruimte waarin wordt gewerkt volledig;
b. de zij- en bovenwanden van de hulpconstructie zijn vloeistofdicht en sluiten vloeistofdicht op elkaar aan, indien werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een techniek uit cluster 3, 6 of 7;
c. de zij- en bovenwanden van de hulpconstructie zijn winddicht en sluiten winddicht op elkaar aan, indien werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een techniek uit cluster 4.2;
d. indien de hulpconstructie deel uitmaakt van het vaste object en werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een techniek uit cluster 3, 6 of 7, sluit de hulpconstructie op het vaste object vloeistofdicht aan en zodanig dat geen stoffen tussen de opstaande randen van de vloer en de wanden van de hulpconstructie kunnen geraken;
e. indien de hulpconstructie deel uitmaakt van het vaste object en werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een techniek uit cluster 4.2, sluit de hulpconstructie op het vaste object winddicht aan en zodanig dat geen stoffen tussen de opstaande randen van de vloer en de wanden van de hulpconstructie kunnen geraken, en
f. indien in de hulpconstructie lucht wordt afgezogen, bedraagt het stofgehalte van de geëmitteerde lucht niet meer dan 10 mg/Nm3.
2. Het stofgehalte bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, wordt bepaald volgens NEN/ISO 9096.
3. Artikel 16, eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing op straalmiddelen met een klimatiserende functie die worden gebruikt bij werkzaamheden met behulp van een techniek uit cluster 4.2.
a. een hulpconstructie omsluit de ruimte waarin wordt gewerkt volledig;
b. de zij- en bovenwanden van de hulpconstructie zijn vloeistofdicht en sluiten vloeistofdicht op elkaar aan, indien werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een techniek uit cluster 3, 6 of 7;
c. de zij- en bovenwanden van de hulpconstructie zijn winddicht en sluiten winddicht op elkaar aan, indien werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een techniek uit cluster 4.2;
d. indien de hulpconstructie deel uitmaakt van het vaste object en werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een techniek uit cluster 3, 6 of 7, sluit de hulpconstructie op het vaste object vloeistofdicht aan en zodanig dat geen stoffen tussen de opstaande randen van de vloer en de wanden van de hulpconstructie kunnen geraken;
e. indien de hulpconstructie deel uitmaakt van het vaste object en werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een techniek uit cluster 4.2, sluit de hulpconstructie op het vaste object winddicht aan en zodanig dat geen stoffen tussen de opstaande randen van de vloer en de wanden van de hulpconstructie kunnen geraken, en
f. indien in de hulpconstructie lucht wordt afgezogen, bedraagt het stofgehalte van de geëmitteerde lucht niet meer dan 10 mg/Nm3.
2. Het stofgehalte bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, wordt bepaald volgens NEN/ISO 9096.
3. Artikel 16, eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing op straalmiddelen met een klimatiserende functie die worden gebruikt bij werkzaamheden met behulp van een techniek uit cluster 4.2.