BWBR0009295
Geldig vanaf 1998-04-09
Artikel 7
Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen
1. De lichtsterkte van het achterlicht, uitgedrukt in candela, moet worden gemeten overeenkomstig het gestelde daaromtrent in paragraaf 6.1.1.1. van ISO 6742-1-1987, waarbij de waarden van de achterwaartse lichtuitstraling ten minste moeten overeenkomen met de waarden behorende bij de desbetreffende hoeken, zoals aangegeven in tabel 5.
2. In geval van achterlichten met verwisselbare lichtbron moeten de in het eerste lid bedoelde metingen worden uitgevoerd met kleurloze standaardlampen van de voor het achterlicht voorgeschreven typen, die zodanig zijn ingesteld dat zij de normale lichtstroom van 2,0 lumen uitstralen die voor deze lamptypen is voorgeschreven.
3. In geval van achterlichten met een niet-verwisselbare lichtbron moeten de metingen worden uitgevoerd bij het achterlicht op een testspanning van 6 volt effectief.
2. In geval van achterlichten met verwisselbare lichtbron moeten de in het eerste lid bedoelde metingen worden uitgevoerd met kleurloze standaardlampen van de voor het achterlicht voorgeschreven typen, die zodanig zijn ingesteld dat zij de normale lichtstroom van 2,0 lumen uitstralen die voor deze lamptypen is voorgeschreven.
3. In geval van achterlichten met een niet-verwisselbare lichtbron moeten de metingen worden uitgevoerd bij het achterlicht op een testspanning van 6 volt effectief.