BWBR0009295
Geldig vanaf 1998-04-09
Artikel 3
Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen
1. Achterlichten moeten zodanig zijn samengesteld, dat bij normaal gebruik een goede werking verzekerd is en blijft. Zij mogen ten aanzien van de constructie of de uitvoering geen ernstige gebreken vertonen.
2. Achterlichten moeten zodanig zijn ingericht, dat zij aan de achterzijde van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek kunnen worden bevestigd, zodanig dat de optische as van het retroreflecterend gedeelte horizontaal en evenwijdig aan het vlak van het achterwiel is gericht.
De beoordeling geschiedt door proefmontage.
3. Het achterlicht mag zijn voorzien van een schakeling die ervoor zorgt dat tijdens stilstand licht wordt uitgestraald, mits de lichtsterkte van het uitgezonden licht geen fluctuaties vertoont.
2. Achterlichten moeten zodanig zijn ingericht, dat zij aan de achterzijde van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek kunnen worden bevestigd, zodanig dat de optische as van het retroreflecterend gedeelte horizontaal en evenwijdig aan het vlak van het achterwiel is gericht.
De beoordeling geschiedt door proefmontage.
3. Het achterlicht mag zijn voorzien van een schakeling die ervoor zorgt dat tijdens stilstand licht wordt uitgestraald, mits de lichtsterkte van het uitgezonden licht geen fluctuaties vertoont.