Indien het achterlicht als bedoeld in
artikel 3.8.1, onder a, en de niet-driehoekige retroreflector als bedoeld in
artikel 3.8.1, onder b, van het Voertuigreglementsamen één inrichting vormen, moet deze inrichting als geheel zowel aan de eisen gesteld in de artikelen 3 tot en met 9als aan de eisen gesteld in de artikelen 10 tot en met 17voldoen.