BWBR0009295
Geldig vanaf 1998-04-09
Artikel 4
Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen
1. Achterlichten met verwisselbare lichtbron moeten zodanig zijn uitgevoerd dat:
a. daarin één van de gloeilampen volgens figuur 1, voorzien van één van de lampvoeten volgens figuur 2, deugdelijk kan worden bevestigd;
b. de gloeilamp zonder gebruik van gereedschap op gemakkelijke wijze in de lamphouder kan worden aangebracht: indien daartoe enig deel van het achterlicht moet worden uitgenomen, of moet worden gedemonteerd, moet dit deel, na weer te zijn aangebracht, niet kunnen uitvallen of lostrillen;
c. wanneer het achterlicht wordt onderworpen aan trillingen of schokken, de gloeilamp gefixeerd blijft en blijft werken.
2. De beoordeling van het bepaalde in het eerste lid geschiedt door meting met de kalibers volgens:
a. figuur 3, waarbij aan het eerste lid wordt voldaan, indien kaliber A zover in de lamphouder kan worden ingeschroefd dat het in verbinding komt met de contacten van de lamphouder en het achterlicht daarna op normale wijze kan worden gemonteerd, en indien kaliber B niet in de lamphouder past, of
b. figuur 4, waarbij aan het eerste lid wordt voldaan, indien kaliber A deugdelijk in de lamphouder kan worden bevestigd, en daarbij in verbinding komt met de contacten van de lamphouder, waarna het achterlicht op normale wijze gemonteerd kan worden, en indien kaliber B deugdelijk in de lamphouder kan worden bevestigd en daarbij in verbinding komt met de contacten van de lamphouder.
3. Achterlichten met niet-verwisselbare lichtbron moeten zodanig zijn uitgevoerd dat het reflectorsysteem, het lenssysteem en het gedeelte dat de lichtbron omvat, deel uitmaken van een onafscheidelijk geheel dat bij de vervaardiging hermetisch gesloten is en dat niet uit elkaar genomen kan worden.
a. daarin één van de gloeilampen volgens figuur 1, voorzien van één van de lampvoeten volgens figuur 2, deugdelijk kan worden bevestigd;
b. de gloeilamp zonder gebruik van gereedschap op gemakkelijke wijze in de lamphouder kan worden aangebracht: indien daartoe enig deel van het achterlicht moet worden uitgenomen, of moet worden gedemonteerd, moet dit deel, na weer te zijn aangebracht, niet kunnen uitvallen of lostrillen;
c. wanneer het achterlicht wordt onderworpen aan trillingen of schokken, de gloeilamp gefixeerd blijft en blijft werken.
2. De beoordeling van het bepaalde in het eerste lid geschiedt door meting met de kalibers volgens:
a. figuur 3, waarbij aan het eerste lid wordt voldaan, indien kaliber A zover in de lamphouder kan worden ingeschroefd dat het in verbinding komt met de contacten van de lamphouder en het achterlicht daarna op normale wijze kan worden gemonteerd, en indien kaliber B niet in de lamphouder past, of
b. figuur 4, waarbij aan het eerste lid wordt voldaan, indien kaliber A deugdelijk in de lamphouder kan worden bevestigd, en daarbij in verbinding komt met de contacten van de lamphouder, waarna het achterlicht op normale wijze gemonteerd kan worden, en indien kaliber B deugdelijk in de lamphouder kan worden bevestigd en daarbij in verbinding komt met de contacten van de lamphouder.
3. Achterlichten met niet-verwisselbare lichtbron moeten zodanig zijn uitgevoerd dat het reflectorsysteem, het lenssysteem en het gedeelte dat de lichtbron omvat, deel uitmaken van een onafscheidelijk geheel dat bij de vervaardiging hermetisch gesloten is en dat niet uit elkaar genomen kan worden.