BWBR0009295
Geldig vanaf 1998-04-09
Artikel 21
Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen
1. De lichtsterktecoëfficiënt van de re-troreflector, te meten volgens de methode zoals omschreven in CIE-publikatie nr. 54 (TC 2-3) 1982, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 9 gestelde eisen.
2. De referentie-as voor de meting mag evenwijdig aan de as van het wiel worden verplaatst.
3. De verhouding tussen de hoogste en de laagste lichtsterkte-coëfficiënt, gemeten over bogen van 30° bij een waarnemingshoek van 0°20’ en een invalshoek 82 van 5° en van 30°, mag niet groter zijn dan 3:1.
4. De verhouding tussen de gemiddelde lichtsterktecoëfficiënten, gemeten over verschillende bogen van 30° bij een waarnemingshoek à van 0°20’ en een invalshoek 82 van 5° en van 30°, mag niet groter zijn dan 10:1.
5. De gemiddelde lichtsterktecoëfficiënt wordt bepaald door het wiel achter een opening met een boog van 30° zodanig te laten draaien dat een constante waarde wordt verkregen.
2. De referentie-as voor de meting mag evenwijdig aan de as van het wiel worden verplaatst.
3. De verhouding tussen de hoogste en de laagste lichtsterkte-coëfficiënt, gemeten over bogen van 30° bij een waarnemingshoek van 0°20’ en een invalshoek 82 van 5° en van 30°, mag niet groter zijn dan 3:1.
4. De verhouding tussen de gemiddelde lichtsterktecoëfficiënten, gemeten over verschillende bogen van 30° bij een waarnemingshoek à van 0°20’ en een invalshoek 82 van 5° en van 30°, mag niet groter zijn dan 10:1.
5. De gemiddelde lichtsterktecoëfficiënt wordt bepaald door het wiel achter een opening met een boog van 30° zodanig te laten draaien dat een constante waarde wordt verkregen.