BWBR0009258
Geldig vanaf 1998-01-23
Artikel 2
Subsidiebesluit voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen
1. Onze Minister berekent voor de uitoefening van de taak, de aangegeven bijzondere kosten daaronder begrepen, per boekjaar normbedragen per jeugdige.
2. De subsidie voor de uitoefening van de taak, de aangegeven bijzondere kosten daaronder begrepen, wordt bepaald door de door Onze Minister vastgestelde normbedragen per jeugdige te vermenigvuldigen met de toegekende capaciteit van de instelling. Deze capaciteit wordt berekend volgens een door Onze Minister vast te stellen methode.
3. Indien bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat de gemiddelde jaarbezetting meer bedraagt dan 105% van de toegekende capaciteit, waarvan bij de bepaling van het bedrag van de subsidie, bedoeld in het tweede lid, is uitgegaan, vindt een verhoging van de subsidie plaats. De hoogte van de verhoging is de uitkomst van de vermenigvuldiging van het subsidiebedrag met de uitkomst van de volgende formule:
{(gerealiseerde gemiddelde jaarbezetting : totaal aantal jeugdigen bij de bepaling van de subsidie) x 100%} – 105%.
4. Indien bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat de gemiddelde jaarbezetting minder bedraagt dan 95% van de toegekende capaciteit, waarvan bij de bepaling van het bedrag van de subsidie, bedoeld in het tweede lid, is uitgegaan, vindt een verlaging van de subsidie plaats. De hoogte van de verlaging is de uitkomst van de vermenigvuldiging van het subsidiebedrag met de uitkomst van de volgende formule:
95% – {(gerealiseerde gemiddelde jaarbezetting : totaal aantal jeugdigen bij de bepaling van de subsidie) x 100%}.
5. Onder gerealiseerde gemiddelde jaarbezetting wordt verstaan: het aantal jeugdigen per 31 december van het voorafgaand boekjaar, vermeerderd met het aantal jeugdigen per 31 december van het betreffende jaar, gedeeld door twee.
6. Op de subsidie berekend overeenkomstig de voorgaande leden wordt in mindering gebracht het bedrag waarmee de toevoeging aan de egalisatiereserve, bedoeld in artikel 10, van de instelling meer bedraagt dan 5% van de vastgestelde subsidie voor het desbetreffende boekjaar, inclusief genoten rente, of het totaal van de opgebouwde egalisatiereserve meer bedraagt dan € 454 000.
2. De subsidie voor de uitoefening van de taak, de aangegeven bijzondere kosten daaronder begrepen, wordt bepaald door de door Onze Minister vastgestelde normbedragen per jeugdige te vermenigvuldigen met de toegekende capaciteit van de instelling. Deze capaciteit wordt berekend volgens een door Onze Minister vast te stellen methode.
3. Indien bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat de gemiddelde jaarbezetting meer bedraagt dan 105% van de toegekende capaciteit, waarvan bij de bepaling van het bedrag van de subsidie, bedoeld in het tweede lid, is uitgegaan, vindt een verhoging van de subsidie plaats. De hoogte van de verhoging is de uitkomst van de vermenigvuldiging van het subsidiebedrag met de uitkomst van de volgende formule:
{(gerealiseerde gemiddelde jaarbezetting : totaal aantal jeugdigen bij de bepaling van de subsidie) x 100%} – 105%.
4. Indien bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat de gemiddelde jaarbezetting minder bedraagt dan 95% van de toegekende capaciteit, waarvan bij de bepaling van het bedrag van de subsidie, bedoeld in het tweede lid, is uitgegaan, vindt een verlaging van de subsidie plaats. De hoogte van de verlaging is de uitkomst van de vermenigvuldiging van het subsidiebedrag met de uitkomst van de volgende formule:
95% – {(gerealiseerde gemiddelde jaarbezetting : totaal aantal jeugdigen bij de bepaling van de subsidie) x 100%}.
5. Onder gerealiseerde gemiddelde jaarbezetting wordt verstaan: het aantal jeugdigen per 31 december van het voorafgaand boekjaar, vermeerderd met het aantal jeugdigen per 31 december van het betreffende jaar, gedeeld door twee.
6. Op de subsidie berekend overeenkomstig de voorgaande leden wordt in mindering gebracht het bedrag waarmee de toevoeging aan de egalisatiereserve, bedoeld in artikel 10, van de instelling meer bedraagt dan 5% van de vastgestelde subsidie voor het desbetreffende boekjaar, inclusief genoten rente, of het totaal van de opgebouwde egalisatiereserve meer bedraagt dan € 454 000.