BWBR0009258
Geldig vanaf 1998-01-23
Artikel 12
Subsidiebesluit voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen
1. In de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is de subsidieontvanger aan Onze Minister een vergoeding voor vermogensvorming schuldig.
2. De instelling doet van de gevallen, bedoeld in het tweede lid van artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht, onverwijld mededeling aan Onze Minister.
3. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor roerende zaken wordt uitgegaan van de aanschafwaarde op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in het geval, bedoeld in het tweede lid, onder b van artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt uitgegaan van de ontvangen schadevergoeding.
4. Het vaststellen van de hoogte van de vergoeding voor onroerende zaken vindt plaats door drie deskundigen. Onze Minister onderscheidenlijk de instelling wijzen elk een deskundige aan, die in onderling overleg een derde deskundige aanwijzen.
5. Indien het vermogen is gevormd mede met andere middelen dan de subsidie, komt aan Onze Minister toe het bedrag, waarmee de subsidiëring door Onze Minister in verhouding tot die middelen aan de vorming van het vermogen heeft bijgedragen.
6. Onze Minister komt de in het eerste lid bedoelde vordering niet toe, indien de activiteiten van de instelling met toestemming van Onze Minister door een andere instelling worden voortgezet en de activa en passiva tegen boekwaarde aan die instelling in eigendom worden overgedragen.
2. De instelling doet van de gevallen, bedoeld in het tweede lid van artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht, onverwijld mededeling aan Onze Minister.
3. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor roerende zaken wordt uitgegaan van de aanschafwaarde op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in het geval, bedoeld in het tweede lid, onder b van artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt uitgegaan van de ontvangen schadevergoeding.
4. Het vaststellen van de hoogte van de vergoeding voor onroerende zaken vindt plaats door drie deskundigen. Onze Minister onderscheidenlijk de instelling wijzen elk een deskundige aan, die in onderling overleg een derde deskundige aanwijzen.
5. Indien het vermogen is gevormd mede met andere middelen dan de subsidie, komt aan Onze Minister toe het bedrag, waarmee de subsidiëring door Onze Minister in verhouding tot die middelen aan de vorming van het vermogen heeft bijgedragen.
6. Onze Minister komt de in het eerste lid bedoelde vordering niet toe, indien de activiteiten van de instelling met toestemming van Onze Minister door een andere instelling worden voortgezet en de activa en passiva tegen boekwaarde aan die instelling in eigendom worden overgedragen.