BWBR0009258
Geldig vanaf 1998-01-23
Artikel 13
Subsidiebesluit voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen
1. Indien de instelling zaken ter beschikking stelt aan of diensten verricht voor natuurlijke personen of rechtspersonen, die niet de ondersteuning van de instelling ten doel hebben, brengt zij een vergoeding in rekening die ten minste kostendekkend is.
2. Indien aan de instelling zaken ter beschikking worden gesteld door een rechtspersoon, die de ondersteuning van de instelling ten doel heeft, betaalt zij aan deze rechtspersoon geen hogere vergoeding dan het bedrag dat ter zake op grond van de historische kostprijs en rekening houdende met de voor de instelling geldende afschrijvingspercentages in redelijkheid in rekening kan worden gebracht.
3. Indien een rechtspersoon, die de ondersteuning van de instelling ten doel heeft, voor deze instelling diensten verricht welke in het algemeen door de instelling in eigen beheer worden verricht, betaalt de instelling aan de rechtspersoon geen hogere vergoeding dan het bedrag dat het verrichten van de diensten in eigen beheer zou hebben gekost.
4. De instelling verstrekt desgevraagd aan Onze Minister een beschrijving van de tussen de instelling en andere rechtspersonen bestaande organisatorische dan wel financiële banden alsmede, van zodanig nog in het leven te roepen of te wijzigen banden, voor zover deze banden van invloed kunnen zijn op de bepaling van de vergoedingen, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.
2. Indien aan de instelling zaken ter beschikking worden gesteld door een rechtspersoon, die de ondersteuning van de instelling ten doel heeft, betaalt zij aan deze rechtspersoon geen hogere vergoeding dan het bedrag dat ter zake op grond van de historische kostprijs en rekening houdende met de voor de instelling geldende afschrijvingspercentages in redelijkheid in rekening kan worden gebracht.
3. Indien een rechtspersoon, die de ondersteuning van de instelling ten doel heeft, voor deze instelling diensten verricht welke in het algemeen door de instelling in eigen beheer worden verricht, betaalt de instelling aan de rechtspersoon geen hogere vergoeding dan het bedrag dat het verrichten van de diensten in eigen beheer zou hebben gekost.
4. De instelling verstrekt desgevraagd aan Onze Minister een beschrijving van de tussen de instelling en andere rechtspersonen bestaande organisatorische dan wel financiële banden alsmede, van zodanig nog in het leven te roepen of te wijzigen banden, voor zover deze banden van invloed kunnen zijn op de bepaling van de vergoedingen, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.