BWBR0008847
Geldig vanaf 1997-07-25
Artikel 5.4
Voorschrift Algemene wet bestuursrecht 1997
5.4.1. De bepalingen over de beslistermijn zijn alleen van toepassing op de beschikkingen op aanvraag. De beslissing op een aanvraag dient binnen de wettelijk gestelde termijn gegeven te worden. Indien geen wettelijke termijn is gesteld, geldt een redelijke termijn. Die termijn is in ieder geval verstreken indien niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beslissing is genomen of kennisgeving is gedaan aan belanghebbende als bedoeld in § 5.4.3. Hierbij moet worden bedacht dat in een aantal gevallen een redelijke beslistermijn korter dient te zijn dan acht weken.
Indien de aanvraag onvolledig is, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag aan te vullen binnen een redelijke termijn. De beslistermijn wordt in dat geval opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
5.4.2. Op grond van artikel 5a AWRheeft de inspecteur een wettelijke termijn van één jaar om op een aanvraag te beslissen. De Belastingdienst maakt van deze bepaling echter in beginsel geen gebruik, tenzij omstandigheden een langere beslistermijn rechtvaardigen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gecompliceerde zaken of gevallen waarin belastingplichtige weigert mee te werken aan een voortvarende afhandeling van zijn aanvraag. Voor het beslissen op een aanvraag geldt dus in beginsel de Awb-termijn van (maximaal) acht weken.
Omdat de beslistermijn voor inspecteursbeschikkingen op aanvraag formeel is bepaald op één jaar kan belanghebbende geen bezwaar maken wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag als de inspecteur de termijn van artikel 4:13 Awb(zie § 5.4.1) niet realiseert.
5.4.3. Indien het niet mogelijk blijkt de beschikking op aanvraag binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag te geven, wordt de aanvrager daarvan zo spoedig mogelijk in kennis gesteld. Daarbij wordt aangegeven waarom de beschikking nog niet kan worden gegeven en binnen welke termijn de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Indien de aanvraag onvolledig is, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag aan te vullen binnen een redelijke termijn. De beslistermijn wordt in dat geval opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
5.4.2. Op grond van artikel 5a AWRheeft de inspecteur een wettelijke termijn van één jaar om op een aanvraag te beslissen. De Belastingdienst maakt van deze bepaling echter in beginsel geen gebruik, tenzij omstandigheden een langere beslistermijn rechtvaardigen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gecompliceerde zaken of gevallen waarin belastingplichtige weigert mee te werken aan een voortvarende afhandeling van zijn aanvraag. Voor het beslissen op een aanvraag geldt dus in beginsel de Awb-termijn van (maximaal) acht weken.
Omdat de beslistermijn voor inspecteursbeschikkingen op aanvraag formeel is bepaald op één jaar kan belanghebbende geen bezwaar maken wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag als de inspecteur de termijn van artikel 4:13 Awb(zie § 5.4.1) niet realiseert.
5.4.3. Indien het niet mogelijk blijkt de beschikking op aanvraag binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag te geven, wordt de aanvrager daarvan zo spoedig mogelijk in kennis gesteld. Daarbij wordt aangegeven waarom de beschikking nog niet kan worden gegeven en binnen welke termijn de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.