BWBR0008847
Geldig vanaf 1997-07-25
Artikel 3.2
Voorschrift Algemene wet bestuursrecht 1997
Een ieder kan zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen ( art. 2:1 Awb).
Het optreden van een gemachtigde heeft tot gevolg dat het contact tussen belastingplichtige en de Belastingdienst -afgezien van de persoonlijke oproeping- in beginsel via de gemachtigde loopt. Dit heeft bijvoorbeeld in de bezwaarfase als consequentie dat de eenheid die bevoegd is op het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde toezendt ( 6:17 Awb), zulks met inachtneming van hoofdstuk 4.3 VIV 1993.
Ook al heeft een belastingplichtige een gemachtigde, dan betekent dit niet dat ieder contact tussen belastingplichtige en de Belastingdienst via de gemachtigde moet lopen. Zowel de aard van de contacten als de bedoeling van de belastingplichtige zijn factoren die hierbij een rol kunnen spelen. Als voorbeeld waarin de Belastingdienst ook met belastingplichtige contact kan opnemen, geldt de situatie waarin de kennis van de gemachtigde irrelevant is (bijvoorbeeld de aankondiging van een bezoek in het kader van een ’waarneming ter plaatse’) of de gevraagde informatie uitsluitend van belastingplichtige te verkrijgen is.
Twijfelt de Belastingdienst in een bepaald geval aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid, dan kan om een schriftelijke machtiging van de opdrachtgever worden verzocht. Ook van een advocaat of procureur kan de overlegging van een volmacht worden verlangd. Dit laatste is echter niet meer mogelijk tijdens een beroepsprocedure voor de rechter.
De bepalingen in de Awbinzake bijstand en vertegenwoordiging gelden naast de artikelen 41 t/m 46 van de AWR. In de Awbzijn echter expliciet een aantal regels opgenomen die niet voorkomen in de AWR:
- het bestuursorgaan kan bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, weigeren (art. 2:2, eerste lid, Awb);
- de belanghebbende en de persoon tegen wie (als vertegenwoordiger) ernstige bezwaren bestaan worden onverwijld schriftelijk van de weigering in kennis gesteld (art. 2:2, tweede lid, Awb); en
‐ het bestuursorgaan kan advocaten en procureurs niet als vertegenwoordigers weigeren (art. 2:2, derde lid, Awb).
Van de bevoegdheid om een gemachtigde te weigeren zal slechts in uitzonderingsgevallen gebruik mogen worden gemaakt. Te denken is aan gevallen van evidente en ernstige ondeskundigheid. Ook kan worden gedacht aan gemachtigden die herhaaldelijk de normale gang van zaken, eventueel onder bedreiging van geweld, verstoren of tegen wie vermoedens bestaan van het begaan van strafbare feiten.
De bevoegdheid om een gemachtigde te weigeren berust bij het hoofd van de eenheid, na overleg met zijn directeur.
Tegen deze Awb-beschikking kan op grond van de Awb bij het hoofd van de eenheid bezwaar worden gemaakt, waarna beroep mogelijk is bij de arrondissementsrechtbank, sector bestuursgeschillen. In beroep voert het hoofd van de eenheid (of zijn gemachtigde) het verweer.
Het optreden van een gemachtigde heeft tot gevolg dat het contact tussen belastingplichtige en de Belastingdienst -afgezien van de persoonlijke oproeping- in beginsel via de gemachtigde loopt. Dit heeft bijvoorbeeld in de bezwaarfase als consequentie dat de eenheid die bevoegd is op het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde toezendt ( 6:17 Awb), zulks met inachtneming van hoofdstuk 4.3 VIV 1993.
Ook al heeft een belastingplichtige een gemachtigde, dan betekent dit niet dat ieder contact tussen belastingplichtige en de Belastingdienst via de gemachtigde moet lopen. Zowel de aard van de contacten als de bedoeling van de belastingplichtige zijn factoren die hierbij een rol kunnen spelen. Als voorbeeld waarin de Belastingdienst ook met belastingplichtige contact kan opnemen, geldt de situatie waarin de kennis van de gemachtigde irrelevant is (bijvoorbeeld de aankondiging van een bezoek in het kader van een ’waarneming ter plaatse’) of de gevraagde informatie uitsluitend van belastingplichtige te verkrijgen is.
Twijfelt de Belastingdienst in een bepaald geval aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid, dan kan om een schriftelijke machtiging van de opdrachtgever worden verzocht. Ook van een advocaat of procureur kan de overlegging van een volmacht worden verlangd. Dit laatste is echter niet meer mogelijk tijdens een beroepsprocedure voor de rechter.
De bepalingen in de Awbinzake bijstand en vertegenwoordiging gelden naast de artikelen 41 t/m 46 van de AWR. In de Awbzijn echter expliciet een aantal regels opgenomen die niet voorkomen in de AWR:
- het bestuursorgaan kan bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, weigeren (art. 2:2, eerste lid, Awb);
- de belanghebbende en de persoon tegen wie (als vertegenwoordiger) ernstige bezwaren bestaan worden onverwijld schriftelijk van de weigering in kennis gesteld (art. 2:2, tweede lid, Awb); en
‐ het bestuursorgaan kan advocaten en procureurs niet als vertegenwoordigers weigeren (art. 2:2, derde lid, Awb).
Van de bevoegdheid om een gemachtigde te weigeren zal slechts in uitzonderingsgevallen gebruik mogen worden gemaakt. Te denken is aan gevallen van evidente en ernstige ondeskundigheid. Ook kan worden gedacht aan gemachtigden die herhaaldelijk de normale gang van zaken, eventueel onder bedreiging van geweld, verstoren of tegen wie vermoedens bestaan van het begaan van strafbare feiten.
De bevoegdheid om een gemachtigde te weigeren berust bij het hoofd van de eenheid, na overleg met zijn directeur.
Tegen deze Awb-beschikking kan op grond van de Awb bij het hoofd van de eenheid bezwaar worden gemaakt, waarna beroep mogelijk is bij de arrondissementsrechtbank, sector bestuursgeschillen. In beroep voert het hoofd van de eenheid (of zijn gemachtigde) het verweer.