BWBR0008844
Geldig vanaf 1998-07-17
Artikel 4
Besluit premiedifferentiatie WAO
1. De in artikel 78, derde lid, van de Wet, bedoelde opslag of korting is voor een grote werkgever gelijk aan het individuele werkgeversrisicopercentage, verminderd met het gemiddelde werkgeversrisicopercentage.
2. Het individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt verkregen door het totaalbedrag van de ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, bedoeld in artikel 76f van de Wet, die in het tweede kalenderjaar vóór het premiejaar zijn betaald aan werknemers die bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid als bedoeld in het vijfde lid, in dienstbetrekking stonden tot een werkgever, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het ten laste van die werkgever komende gemiddelde premieplichtige loon per jaar, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren, eindigend één jaar voor aanvang van het premiejaar.
3. Het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt verkregen door het totaalbedrag van de ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende aan werkgevers toe te rekenen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, bedoeld in artikel 76f van de Wet, die in het tweede kalenderjaar vóór het premiejaar zijn betaald, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het totale gemiddelde premieplichtige loon per jaar, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren, eindigend één jaar voor aanvang van het premiejaar.
4. Bij de berekening van het gemiddelde premieplichtige loon, bedoeld in het tweede en derde lid, worden de via de werkgever betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen buiten aanmerking gelaten.
5. De in het tweede en derde lid bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, betreffen de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend:
a. aan de werknemers die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet tot de werkgever in dienstbetrekking stonden en terzake van die ongeschiktheid de wachttijd, bedoeld in artikel 19 van de Wet hebben doorgemaakt;
b. met toepassing van artikel 43a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet nadat de arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, is ingetrokken op grond van artikel 43, eerste lid, van de Wet;
c. met toepassing van artikel 43a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, die aan het einde van de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, maar geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was.
6. Indien de werknemer bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, bij meer dan één werkgever in dienstbetrekking stond, wordt voor de toepassing van het tweede lid, de arbeidsongeschiktheidsuitkering naar rato van de loonsom toegerekend aan de werkgevers waarbij de werknemer in dienstbetrekking staat of heeft gestaan. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt niet toegerekend aan de werkgever waarbij de werknemer met behoud van hetzelfde loon arbeid is blijven verrichten.
7. Voor de toepassing van het tweede en derde lid worden de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de vakantieuitkeringen die in de in de aanhef van artikel 76f van de Wetbedoelde periode geheel of ten dele niet aan de werknemer zijn uitbetaald wegens het genieten van loon als bedoeld in artikel 44, derde lid, van de Wet, geacht aan de werknemer te zijn uitbetaald.
8. De uitkomst van de in het tweede en derde lid bedoelde deling wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.
2. Het individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt verkregen door het totaalbedrag van de ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, bedoeld in artikel 76f van de Wet, die in het tweede kalenderjaar vóór het premiejaar zijn betaald aan werknemers die bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid als bedoeld in het vijfde lid, in dienstbetrekking stonden tot een werkgever, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het ten laste van die werkgever komende gemiddelde premieplichtige loon per jaar, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren, eindigend één jaar voor aanvang van het premiejaar.
3. Het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt verkregen door het totaalbedrag van de ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende aan werkgevers toe te rekenen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, bedoeld in artikel 76f van de Wet, die in het tweede kalenderjaar vóór het premiejaar zijn betaald, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het totale gemiddelde premieplichtige loon per jaar, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren, eindigend één jaar voor aanvang van het premiejaar.
4. Bij de berekening van het gemiddelde premieplichtige loon, bedoeld in het tweede en derde lid, worden de via de werkgever betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen buiten aanmerking gelaten.
5. De in het tweede en derde lid bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, betreffen de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend:
a. aan de werknemers die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet tot de werkgever in dienstbetrekking stonden en terzake van die ongeschiktheid de wachttijd, bedoeld in artikel 19 van de Wet hebben doorgemaakt;
b. met toepassing van artikel 43a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet nadat de arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, is ingetrokken op grond van artikel 43, eerste lid, van de Wet;
c. met toepassing van artikel 43a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, die aan het einde van de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, maar geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was.
6. Indien de werknemer bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, bij meer dan één werkgever in dienstbetrekking stond, wordt voor de toepassing van het tweede lid, de arbeidsongeschiktheidsuitkering naar rato van de loonsom toegerekend aan de werkgevers waarbij de werknemer in dienstbetrekking staat of heeft gestaan. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt niet toegerekend aan de werkgever waarbij de werknemer met behoud van hetzelfde loon arbeid is blijven verrichten.
7. Voor de toepassing van het tweede en derde lid worden de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de vakantieuitkeringen die in de in de aanhef van artikel 76f van de Wetbedoelde periode geheel of ten dele niet aan de werknemer zijn uitbetaald wegens het genieten van loon als bedoeld in artikel 44, derde lid, van de Wet, geacht aan de werknemer te zijn uitbetaald.
8. De uitkomst van de in het tweede en derde lid bedoelde deling wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.