BWBR0008830
Geldig vanaf 1997-07-16
Artikel 6.3
Investeringsregeling markt en concurrentiekracht
1. Als subsidiabele kosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende, door de aanvrager aantoonbaar gemaakte en betaalde kosten, voorzover zij noodzakelijk zijn en rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de onderdelen van het investeringsproject waarop de beschikking tot subsidieverlening betrekking heeft:
de kosten van aangeschafte machines en apparatuur, gebaseerd op de historische aanschafprijzen, of de aan het investeringsproject toe te rekenen leasetermijnen, exclusief financieringskosten en winstopslagen bij transacties binnen een groep,
de kosten van de bouw van onroerende zaken en
de algemene kosten, met name de kosten voor architecten, ingenieurs en adviseurs en installatiekosten, tot een maximum van 12% van de onder a en b bedoelde kosten.
2. Op grond van deze regeling wordt, onverminderd het eerste lid, onderdeel b, per landbouwbedrijf ten hoogste driemaal een subsidie verleend in een periode van zes jaar, welke periode aanvangt op de datum van de beschikking tot subsidieverlening op de eerste aanvraag.
3. Subsidies die zijn verkregen op grond van andere regelingen die strekken ter uitvoering van de artikelen 5 tot en met 9 en 11 van Verordening (EEG) nr. 2328/91worden bij de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid meegerekend.
4. Met inachtneming van de artikelen 7 en 12 van verordening (EEG) nr. 2328/91is cumulatie van subsidie op grond van deze regeling met andere subsidie voor investeringsprojecten als bedoeld in artikel 2.1, toegestaan tot een maximum van:
35 % van de subsidiabele kosten voor onroerende zaken en
20 % van de subsidiabele kosten voor overige zaken.
de kosten van aangeschafte machines en apparatuur, gebaseerd op de historische aanschafprijzen, of de aan het investeringsproject toe te rekenen leasetermijnen, exclusief financieringskosten en winstopslagen bij transacties binnen een groep,
de kosten van de bouw van onroerende zaken en
de algemene kosten, met name de kosten voor architecten, ingenieurs en adviseurs en installatiekosten, tot een maximum van 12% van de onder a en b bedoelde kosten.
2. Op grond van deze regeling wordt, onverminderd het eerste lid, onderdeel b, per landbouwbedrijf ten hoogste driemaal een subsidie verleend in een periode van zes jaar, welke periode aanvangt op de datum van de beschikking tot subsidieverlening op de eerste aanvraag.
3. Subsidies die zijn verkregen op grond van andere regelingen die strekken ter uitvoering van de artikelen 5 tot en met 9 en 11 van Verordening (EEG) nr. 2328/91worden bij de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid meegerekend.
4. Met inachtneming van de artikelen 7 en 12 van verordening (EEG) nr. 2328/91is cumulatie van subsidie op grond van deze regeling met andere subsidie voor investeringsprojecten als bedoeld in artikel 2.1, toegestaan tot een maximum van:
35 % van de subsidiabele kosten voor onroerende zaken en
20 % van de subsidiabele kosten voor overige zaken.