BWBR0008830
Geldig vanaf 1997-07-16
Artikel 2.3
Investeringsregeling markt en concurrentiekracht
1. Een natuurlijke persoon kan in aanmerking komen voor een subsidie als bedoeld in artikel 2.1, indien:
hij als bedrijfshoofd voor eigen rekening en risico het landbouwbedrijf waarvoor de aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend, exploiteert,
zijn arbeidsduur voor werkzaamheden binnen het landbouwbedrijf ten minste de helft van zijn totale arbeidsduur uitmaakt,
zijn onzuiver inkomen gemiddeld over de drie kalenderjaren voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening voor ten minste de helft afkomstig is uit het landbouwbedrijf waarvoor de aanvraag wordt ingediend,
hij over voldoende vakbekwaamheid beschikt; te dien einde bezit hij ten minste een getuigschrift van een landbouwkundige opleiding of van een opleiding van een hiermee gelijkwaardig niveau of is hij ten minste drie jaren op een landbouwbedrijf werkzaam geweest en
hij een boekhouding voert die ten minste voldoet aan de volgende voorwaarden: het boeken van ontvangsten en uitgaven, met bewijsstukken, en
het opstellen van een jaarbalans betreffende de stand van de activa en passiva van het bedrijf.
het boeken van ontvangsten en uitgaven, met bewijsstukken, en
het opstellen van een jaarbalans betreffende de stand van de activa en passiva van het bedrijf.
2. Indien op het landbouwbedrijf van de natuurlijke persoon waarvoor de aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend minder dan drie jaar voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag landbouwactiviteiten zijn verricht, wordt in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, het onzuiver inkomen van de natuurlijke persoon berekend op basis van de voorhanden zijnde gegevens. Indien er nog geen gegevens voorhanden zijn, wordt het onzuiver inkomen berekend op basis van de gegevens van het volledige kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend.
hij als bedrijfshoofd voor eigen rekening en risico het landbouwbedrijf waarvoor de aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend, exploiteert,
zijn arbeidsduur voor werkzaamheden binnen het landbouwbedrijf ten minste de helft van zijn totale arbeidsduur uitmaakt,
zijn onzuiver inkomen gemiddeld over de drie kalenderjaren voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening voor ten minste de helft afkomstig is uit het landbouwbedrijf waarvoor de aanvraag wordt ingediend,
hij over voldoende vakbekwaamheid beschikt; te dien einde bezit hij ten minste een getuigschrift van een landbouwkundige opleiding of van een opleiding van een hiermee gelijkwaardig niveau of is hij ten minste drie jaren op een landbouwbedrijf werkzaam geweest en
hij een boekhouding voert die ten minste voldoet aan de volgende voorwaarden: het boeken van ontvangsten en uitgaven, met bewijsstukken, en
het opstellen van een jaarbalans betreffende de stand van de activa en passiva van het bedrijf.
het boeken van ontvangsten en uitgaven, met bewijsstukken, en
het opstellen van een jaarbalans betreffende de stand van de activa en passiva van het bedrijf.
2. Indien op het landbouwbedrijf van de natuurlijke persoon waarvoor de aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend minder dan drie jaar voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag landbouwactiviteiten zijn verricht, wordt in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, het onzuiver inkomen van de natuurlijke persoon berekend op basis van de voorhanden zijnde gegevens. Indien er nog geen gegevens voorhanden zijn, wordt het onzuiver inkomen berekend op basis van de gegevens van het volledige kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend.