BWBR0007982
Geldig vanaf 1996-09-01
Artikel 9
Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag
1. Onze Minister van Veiligheid en Justitie en de commissaris van de Koning zijn bevoegd aan personen ten aanzien van wie ernstig vermoeden bestaat dat zij de openbare orde en veiligheid in gevaar zullen brengen, te bevelen een gebied te verlaten of te verbieden zich daarheen te begeven of daarin terug te keren.
2. Onze Minister van Veiligheid en Justitie is bevoegd aan degene op wie het eerste lid is toegepast, een tegemoetkoming toe te kennen in de kosten van het levensonderhoud van hem en van degenen in wier onderhoud hij voorziet.
3. Indien iemand ingevolge het eerste lid niet in zijn woonplaats kan verblijven, is Onze Minister van Veiligheid en Justitie bevoegd hem op diens verzoek onderdak, verzorging en verpleging voor rekening van het Rijk te verschaffen.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste en tweede lid.
5. Onze Minister van Veiligheid en Justitie is bevoegd in spoedeisende gevallen regels te geven waarbij wordt afgeweken van de regels, bedoeld in het vierde lid, of deze buiten werking worden gesteld. De door Onze voornoemde Minister gegeven regels worden op een door hem te bepalen wijze bekendgemaakt en treden na deze bekendmaking terstond in werking. Deze regels worden in ieder geval geplaatst in de Staatscourant.
2. Onze Minister van Veiligheid en Justitie is bevoegd aan degene op wie het eerste lid is toegepast, een tegemoetkoming toe te kennen in de kosten van het levensonderhoud van hem en van degenen in wier onderhoud hij voorziet.
3. Indien iemand ingevolge het eerste lid niet in zijn woonplaats kan verblijven, is Onze Minister van Veiligheid en Justitie bevoegd hem op diens verzoek onderdak, verzorging en verpleging voor rekening van het Rijk te verschaffen.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste en tweede lid.
5. Onze Minister van Veiligheid en Justitie is bevoegd in spoedeisende gevallen regels te geven waarbij wordt afgeweken van de regels, bedoeld in het vierde lid, of deze buiten werking worden gesteld. De door Onze voornoemde Minister gegeven regels worden op een door hem te bepalen wijze bekendgemaakt en treden na deze bekendmaking terstond in werking. Deze regels worden in ieder geval geplaatst in de Staatscourant.