BWBR0007982
Geldig vanaf 1996-09-01
Artikel 18
Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag
1. Indien de omstandigheden die tot de afkondiging van de algemene noodtoestand hebben geleid, een bedreiging voor het volksbestaan inhouden, zijn Onze Minister van Veiligheid en Justitie en, indien onverwijld ingrijpen noodzakelijk is, de commissaris van de Koning bevoegd iedere persoon ten aanzien van wie gegrond vermoeden bestaat dat hij de openbare orde en veiligheid in gevaar zal brengen, te interneren.
2. De geïnterneerde wordt zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de redenen van zijn internering, voor zover het belang van de staat zich hiertegen niet verzet, en wordt hierover zo mogelijk gehoord. Van elke internering wordt proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal, dat mede de redenen van de internering vermeldt, wordt de verklaring van de geïnterneerde of de reden van het ontbreken daarvan opgenomen.
3. Het proces-verbaal wordt binnen tweemaal vierentwintig uren in afschrift toegezonden aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie, aan de rechtbank van de plaats waar de geïnterneerde geïnterneerd is, en aan de geïnterneerde. Voor zover mededeling van de redenen van de internering aan de geïnterneerde strijdig wordt geoordeeld met het belang van de staat, worden deze in het voor hem bestemde afschrift niet opgenomen. Bij de toezending van het afschrift aan de geïnterneerde wordt mededeling gedaan van het recht een verzoekschrift overeenkomstig artikel 19in te dienen en om aanwijzing van een raadsman te verzoeken.
4. Op verzoek van de rechtbank zendt Onze Minister van Veiligheid en Justitie haar alle ter zake dienende stukken en verschaft hij haar mondeling alle gevraagde inlichtingen. Onze voornoemde Minister is bevoegd bij het verschaffen van schriftelijke en mondelinge gegevens te bepalen dat het belang van de staat zich verzet tegen kennisneming daarvan door anderen dan de rechtbank.
5. Op verzoek van de geïnterneerde die geen raadsman heeft, wordt voor hem een raadsman aangewezen. De <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/37" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 37</a>, <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/38" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">38</a>en <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/43" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">43 tot en met 45 van het Wetboek van Strafvordering</a>zijn van overeenkomstige toepassing.
6. De geïnterneerde heeft recht op kennisneming van de processtukken, behoudens voor zover het bepaalde in de laatste volzin van het vierde lid toepassing heeft gevonden.
2. De geïnterneerde wordt zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de redenen van zijn internering, voor zover het belang van de staat zich hiertegen niet verzet, en wordt hierover zo mogelijk gehoord. Van elke internering wordt proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal, dat mede de redenen van de internering vermeldt, wordt de verklaring van de geïnterneerde of de reden van het ontbreken daarvan opgenomen.
3. Het proces-verbaal wordt binnen tweemaal vierentwintig uren in afschrift toegezonden aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie, aan de rechtbank van de plaats waar de geïnterneerde geïnterneerd is, en aan de geïnterneerde. Voor zover mededeling van de redenen van de internering aan de geïnterneerde strijdig wordt geoordeeld met het belang van de staat, worden deze in het voor hem bestemde afschrift niet opgenomen. Bij de toezending van het afschrift aan de geïnterneerde wordt mededeling gedaan van het recht een verzoekschrift overeenkomstig artikel 19in te dienen en om aanwijzing van een raadsman te verzoeken.
4. Op verzoek van de rechtbank zendt Onze Minister van Veiligheid en Justitie haar alle ter zake dienende stukken en verschaft hij haar mondeling alle gevraagde inlichtingen. Onze voornoemde Minister is bevoegd bij het verschaffen van schriftelijke en mondelinge gegevens te bepalen dat het belang van de staat zich verzet tegen kennisneming daarvan door anderen dan de rechtbank.
5. Op verzoek van de geïnterneerde die geen raadsman heeft, wordt voor hem een raadsman aangewezen. De <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/37" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 37</a>, <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/38" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">38</a>en <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/43" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">43 tot en met 45 van het Wetboek van Strafvordering</a>zijn van overeenkomstige toepassing.
6. De geïnterneerde heeft recht op kennisneming van de processtukken, behoudens voor zover het bepaalde in de laatste volzin van het vierde lid toepassing heeft gevonden.