BWBR0007141
Geldig vanaf 1995-01-01
Artikel 4
Regeling VFR-nachtvluchten en minimum vlieghoogten voor militaire luchtvaartuigen
1. Het gestelde in artikel 3geldt, behoudens op vrijdagen, niet voor gezagvoerders van Nederlandse en bondgenootschappelijke militaire straalvliegtuigen en voor gezagvoerders van militaire transportvliegtuigen behorende tot of in gebruik bij de Nederlandse en de bondgenootschappelijke strijdkrachten, indien zij een VFR-vlucht uitvoeren langs de volgende routes:
a. Linkroute 10: 52 04 30 N - 006 44 00 E;
52 14 40 N - 006 39 30 E;
52 17 30 N - 006 38 30 E;
52 25 00 N - 006 36 30 E;
52 36 40 N - 006 33 00 E;
53 03 00 N - 007 13 30 E, waarbij de minimum vlieghoogte op het route gedeelte van de positie 52 17 30 N - 006 38 30 E naar de positie 52 25 00 N -006 36 30 E tenminste 300 meter boven hindernissen is, of zoveel lager als door het doel van de vlucht is vereist.
52 04 30 N - 006 44 00 E;
52 14 40 N - 006 39 30 E;
52 17 30 N - 006 38 30 E;
52 25 00 N - 006 36 30 E;
52 36 40 N - 006 33 00 E;
53 03 00 N - 007 13 30 E,
b. Linkroute 10A. 53 24 00 N – 006 05 00 E; 53 09 00 N – 006 10 00 E; 52 33 00 N – 006 09 30 E; 52 17 00 N – 006 13 30 E; 52 02 30 N – 006 25 40 E; 52 01 15 N – 006 46 30 E.
2. Tijdens de in het eerste lid genoemde vluchten nemen de gezagvoerders de volgende nadere voorwaarden in acht:
a. De minimum vlieghoogte is ten minste 75 meter (250 voet) boven hindernissen of zoveel lager als door het doel van de vlucht is vereist.
b. Met betrekking tot het vliegzicht en de wolkenbasis gelden de eisen voor VFR-vluchten, tenzij het doel van de vlucht het noodzakelijk maakt van deze eisen af te wijken.
c. Iedere route wordt gevlogen in de richting als in het eerste lid onder a en b is aangegeven.
d. De gezagvoerder, die meer dan 1852 meter (1 NM) van de route is afgeraakt, klimt eerst naar de voor hem geldende minimum vlieghoogte en zet de vliegoefening pas voort als hij op de route is teruggekeerd. Wordt tijdens de manoeuvre gevlogen binnen een luchtverkeersleidingsgebied dan worden de voor dat gebied geldende voorschriften in acht genomen.
a. Linkroute 10: 52 04 30 N - 006 44 00 E;
52 14 40 N - 006 39 30 E;
52 17 30 N - 006 38 30 E;
52 25 00 N - 006 36 30 E;
52 36 40 N - 006 33 00 E;
53 03 00 N - 007 13 30 E, waarbij de minimum vlieghoogte op het route gedeelte van de positie 52 17 30 N - 006 38 30 E naar de positie 52 25 00 N -006 36 30 E tenminste 300 meter boven hindernissen is, of zoveel lager als door het doel van de vlucht is vereist.
52 04 30 N - 006 44 00 E;
52 14 40 N - 006 39 30 E;
52 17 30 N - 006 38 30 E;
52 25 00 N - 006 36 30 E;
52 36 40 N - 006 33 00 E;
53 03 00 N - 007 13 30 E,
b. Linkroute 10A. 53 24 00 N – 006 05 00 E; 53 09 00 N – 006 10 00 E; 52 33 00 N – 006 09 30 E; 52 17 00 N – 006 13 30 E; 52 02 30 N – 006 25 40 E; 52 01 15 N – 006 46 30 E.
2. Tijdens de in het eerste lid genoemde vluchten nemen de gezagvoerders de volgende nadere voorwaarden in acht:
a. De minimum vlieghoogte is ten minste 75 meter (250 voet) boven hindernissen of zoveel lager als door het doel van de vlucht is vereist.
b. Met betrekking tot het vliegzicht en de wolkenbasis gelden de eisen voor VFR-vluchten, tenzij het doel van de vlucht het noodzakelijk maakt van deze eisen af te wijken.
c. Iedere route wordt gevlogen in de richting als in het eerste lid onder a en b is aangegeven.
d. De gezagvoerder, die meer dan 1852 meter (1 NM) van de route is afgeraakt, klimt eerst naar de voor hem geldende minimum vlieghoogte en zet de vliegoefening pas voort als hij op de route is teruggekeerd. Wordt tijdens de manoeuvre gevlogen binnen een luchtverkeersleidingsgebied dan worden de voor dat gebied geldende voorschriften in acht genomen.